Proclameren

Iedere morgen proclameren wij vanaf de muren van Jeruzalem het Woord van God voor Zijn Volk Israel.

Voor meer proclamaties check de website NeverBeSilent.org

Algemene proclamaties

Wachter

Omwille van Sion zal ik niet zwijgen, omwille van Jeruzalem ben
ik niet stil, totdat het licht van haar gerechtigheid daagt en de
fakkel van haar redding brandt.

Alle volken zullen je gerechtigheid zien, alle koningen je majes-
teit. Men zal je noemen bij een nieuwe naam die de Heer zelf
heeft bepaald. Je zult een schitterende kroon zijn in de hand van
de HEER, een koninklijke tulband in de hand van je God.
Men noemt je niet langer Verlatene en je land niet langer Troos-
teloos oord, maar je zult heten `mijn verlangen’ en je land `mijn
bruid’.

Want de HEER verlangt naar jou en je land wordt ten huwelijk
genomen. Zoals een jongeman een meisje tot vrouw neemt, zo
zullen jouw zonen jou ten huwelijk nemen, en zoals de bruide-
gom zich verheugt over zijn bruid, zo zal je God zich over jou
verheugen.

Jeruzalem, Ik heb wachters op je muren gezet die nooit zul-
len zwijgen, dag noch nacht. Jullie die een beroep doen op de
HEER, gun jezelf geen rust en gun Hem evenmin rust, totdat Hij
Jeruzalem weer heeft gegrondvest en haar roem op aarde heeft
bevestigd.

De HEER heeft gezworen bij zijn rechterhand en bij zijn sterke
arm: `Nooit meer geef Ik jullie graan aan je vijanden te eten,
nooit meer zullen vreemdelingen de wijn drinken waarvoor jullie
je hebben afgemat. Zij die het graan oogsten, zullen er ook van
eten en ze zullen de HEER erom prijzen; zij die de druiven pluk-
ken, zullen ervan drinken in de voorhoven van mijn heiligdom.’
Ga door de poorten, ga erdoorheen, maak de weg vrij voor het
volk. Ruim baan! Effen de weg en verwijder de stenen, steek het
vaandel op voor de volken.

De HEER laat overal horen, tot aan de einden der aarde: `Ver-
kondig aan vrouwe Sion: ‘Je redder komt! zijn loon heeft Hij bij
zich, zijn beloning gaat voor Hem uit.’ Dan noemt men hen `Het
heilige volk’, `Volk dat door de HEER is vrijgekocht’, en jij zult
`Geliefde’ heten, `Nooit verlaten stad’. (Jesaja 62:1-12)

Zoals regen of sneeuw neerdaalt uit de hemel en daarheen niet te-
rugkeert zonder eerst de aarde te doordrenken, haar te bevruch-
ten en te laten gedijen, zodat er zaad is om te zaaien en brood
om te eten ­ zo geldt dit ook voor het woord dat voortkomt uit
mijn mond: het keert niet vruchteloos naar Mij terug, niet zonder
eerst te doen wat Ik wil en te volbrengen wat Ik gebied.
(Jesaja 55:10-11)

Halleluja!

Zing voor de HEER een nieuw lied, roem Hem te midden van zijn
getrouwen. Laat Israël verheugd zijn over zijn machtige maker,
het volk van Sion juichen om zijn koning.
Laten zij dansend zijn Naam loven, bij lier en tamboerijn voor
Hem zingen. Ja, de HEER vindt vreugde in zijn volk, Hij kroont
de vernederden met de zege. Laten zijn getrouwen juichen in tri-
omf, nog jubelen als zij te ruste gaan, met lofzang voor God uit
hun kelen, een tweesnijdend zwaard in hun hand. De volken la-
ten boeten, de naties bestraffen, hun koningen in boeien slaan,
hun leiders met ketenen binden, het geschreven recht aan hen
voltrekken: dat is de glorie voor al zijn getrouwen. Halleluja!
(Psalm 149)

Schuldbekentenis

Heer, grote en geduchte God, die zijn beloften nakomt en trouw is
aan wie Hem liefhebben en doen wat Hij gebiedt; wij hebben ge-
zondigd en ons misdragen. Wij zijn slecht en opstandig geweest,
wij zijn van Uw geboden en regels afgeweken en wij hebben niet
geluisterd naar Uw dienaren, de profeten, die in Uw naam tot
onze koningen, onze vorsten, onze oudsten en tot het hele volk
gesproken hebben. U, Heer, staat in Uw recht, maar tot op deze
dag staat de schaamte ons op het gezicht…

Heer, U bent rechtvaardig, bevrijd toch Uw stad Jeruzalem, Uw
heilige berg, van Uw hevige toorn; want om onze zonden en om
de overtredingen van onze voorouders worden Jeruzalem en Uw
volk te schande gemaakt bij alle volken om ons heen. Luister
daarom, onze God, naar het gebed en de smeekbeden van Uw
dienaar en zie Uw verwoeste heiligdom met mededogen aan, ook
omwille van Uzelf. Geef, mijn God, gehoor aan ons en luister
naar ons; open Uw ogen en zie de verwoesting van de stad waar-
aan Uw naam verbonden is. Niet omdat wij rechtvaardig zouden
hebben gehandeld leggen wij onze smeekbeden aan U voor, maar
omdat Uw barmhartigheid groot is. Heer, luister naar ons! Heer,
vergeef ons! Heer, verhoor ons gebed! Wacht niet langer en grijp
in, mijn God, ook omwille van Uzelf, want Uw Naam is verbon-
den aan Uw stad en aan Uw volk.’ (Daniël 9:4-7,16-19)

Wees mij genadig, God, in Uw trouw, U bent vol erbarmen, doe
mijn daden teniet, was mij schoon van alle schuld, reinig mij van
mijn zonden. Ik ken mijn wandaden, ik ben mij steeds van mijn
zonden bewust, tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd, ik heb
gedaan wat slecht is in Uw ogen.

Laat Uw uitspraak rechtvaardig zijn en Uw oordeel zuiver.
Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al zondig toen mijn moe-
der mij ontving, maar U wilt dat waarheid mij vervult,
U leert mij wijsheid, diep in mijn hart.
Was mij en ik word witter dan sneeuw. Laat mij vreugde en blijd-
schap horen: U hebt mij gebroken, laat mij ook juichen.
Sluit Uw ogen voor mijn zonden en doe heel mijn schuld teniet.
Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn Geest, maak
mij standvastig, verban mij niet uit Uw nabijheid,
neem Uw heilige geest niet van mij weg.
Red mij, geef mij de vreugde van vroeger, de kracht van een ster-
ke geest.

U bent de God die mij redt, bevrijd mij, God, van de dreigende
dood, en ik zal juichen om Uw gerechtigheid.
Ontsluit mijn lippen, Heer, en mijn mond zal Uw lof verkondigen.
U wilt van mij geen offerdieren, in brandoffers schept U geen be-
hagen. Het offer voor God is een gebroken geest; een gebroken en
verbrijzeld hart zult U, God, niet verachten.
Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed, bouw de muren
van Jeruzalem weer op.’
(Psalm 51)

Plaatsvervangende schuldbelijdenis voor Israël

`HEER, al getuigen Israëls wandaden tegen hen, grijp toch in
omwille van Uw naam. Talloze malen waren zij U ontrouw, zij
hebben tegen U gezondigd. Bron van hoop voor Israël, redder in
tijden van nood, waarom bent U als een vreemdeling in dit land,
als een reiziger die maar één nacht blijft?
Waarom bent U als een radeloze man, als een soldaat die Israël
niet kan redden? U bent toch in hun midden, HEER, zij behoren
U toch toe? Laat Israël niet in de steek.’ `Hebt U Juda verworpen,
hebt U van de Sion een afkeer gekregen? Waarom hebt U Israël
zo hard geslagen dat er geen genezing voor hen is? Zij hoopten
op vrede, maar vrede bleef uit, zij verwachtten genezing, maar
angst overviel hen.

HEER, zij bekennen hun schuld, en de schuld van hun voorou-
ders: zij hebben tegen U gezondigd. Maar verstoot Israël toch
niet, doe het niet, omwille van Uw naam. Ontluister Uw troon
toch niet, denk aan Uw verbond met Israël, verbreek het niet.

Brengen die nietige goden van andere volken soms regen, of
schenkt de hemel buien uit zichzelf? U, de HEER, Israëls God,
doet dat toch? Israël vestigt haar hoop op U, want U hebt alles
gemaakt.’ (Jeremia 14:7-9, 19-22)

Uitverkiezing Israël

Want U bent een volk dat aan de HEER, Uw God, is gewijd. U
bent door Hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken
op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn. Het is niet omdat U talrijker
was dan de andere volken dat Hij U lief kreeg en uitkoos ­ U was
het kleinste van allemaal! Maar omdat Hij U liefhad en zich wilde
houden aan wat Hij Uw voorouders onder ede had beloofd, heeft
de HEER U met sterke hand bevrijd uit de slavernij, uit de macht
van de farao, de koning van Egypte. Besef dus goed: alleen de
HEER, Uw God, is God en Hij houdt woord; Hij komt zijn belof-
ten na en is trouw aan ieder die Hem liefheeft en die doet wat Hij
gebiedt, tot in het duizendste geslacht. (Deut.7:6-9)

Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot
maken; en u zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen,
en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslach-
ten van de aardbodem gezegend worden. (Genesis 12:2,3 HSV)

En zie, de HEERE stond boven aan die ladder en zei: Ik ben de
HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak;
dit land waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht ge-
ven. Uw nageslacht zal talrijk zijn als het stof van de aarde en u
zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en
het zuiden.
In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem
gezegend worden. En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen over-
al waar u heen zult gaan, en Ik zal u terugbrengen in dít land,
want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u ge-
sproken heb! (Genesis 28:13-15 HSV)

Hij is de HEER, onze God, zijn besluiten gelden over de hele aar-
de. Tot in eeuwigheid zal Hij gedenken zijn belofte aan duizend
geslachten, het verbond dat Hij sloot met Abraham en voor Isaak
bevestigde met een eed. Voor Jakob verhief Hij het tot wet, voor
Israël tot een eeuwig verbond, toen Hij zei: `Ik zal jou Kanaän ge-
ven, dat land wordt je onvervreemdbaar bezit.’ (Psalm 105:7-11)

Israël, wees niet bang

Misschien denkt u bij uzelf: Die volken zijn groter dan wij, hoe
zouden wij ze kunnen verslaan? Wees niet bang voor hen; bedenk
wat de HEER, uw God, de farao en heel Egypte heeft aangedaan.
Herinner u de grootse daden die u met eigen ogen hebt gezien, de
tekenen en wonderen en uw bevrijding met sterke hand en opge-
heven arm! Zo zal de HEER ook optreden tegen alle volken die u
angst aanjagen. Wees dus niet bang voor hen, want de HEER, uw
God, een machtige en ontzagwekkende God, is in uw midden.
(Deuteronomium 7:17-19,21)

`Luister, Israël. Vandaag bindt u de strijd aan met de vijand.
Wees sterk en moedig, laat u niet afschrikken en wees niet bang
voor hem: de HEER, uw God, gaat met u mee, Hij is het die de
strijd voor u voert tegen de vijand; Hij schenkt u de overwinning.’
(Deuteronomium 20:3-4)

HEER, straf Israël niet in Uw woede, tuchtig haar niet in Uw
toorn. Heb erbarmen, HEER, want Israël kwijnt weg.
Genees haar, HEER, ze is doodsbang, ze vreest voor haar leven.
Hoe lang, HEER, moet Israël nog wachten?

Keer terug, HEER, spaar toch haar leven, toon haar Uw trouw en
red haar. Want doden noemen Uw naam niet meer! Wie in het
dodenrijk kan U nog loven?

Moe is Israël van zuchten, elke nacht is haar kussen nat, haar bed
doorweekt van tranen. Haar ogen zijn gezwollen van verdriet,
roodomrand van alles wat haar benauwt.

Weg van Israël, allen die kwaad doen! De HEER hoort hoe luid zij
weent, de HEER hoort haar roep om erbarmen, de HEER neemt
haar smeekbede aan. Beschaamd en doodsbang keren Israëls vij-
anden om, in een oogwenk met schande bedekt. (Psalm 6)

De HEER is Israëls herder, het ontbreekt haar aan niets.
Hij laat Israël rusten in groene weiden en voert haar naar vredig
water, Hij geeft Israël nieuwe krachten en leidt haar langs veilige
paden tot eer van zijn naam.
Al gaat Israëls weg door een donker dal, zij vreest geen gevaar,
want U bent bij haar, Uw stok en Uw staf, zij geven Israël moed.
U nodigt Israël aan tafel voor het oog van de vijand, U zalft haar
hoofd met olie, haar beker vloeit over.
Geluk en genade volgen Israël alle dagen van haar leven,
Israël keert terug in het huis van de HEER tot in lengte van da-
gen. (Psalm 23)

Zoals een vogel boven zijn nest vliegt,
zo waakt de HEER van de hemelse machten over Jeruzalem,
Hij waakt en Hij redt, Hij beschermt en bevrijdt.
Kinderen van Israël, keer terug naar Hem
van wie jullie zo ver zijn afgedwaald. (Jesaja 31:5,6,13)

Maar jou, Israël, mijn dienaar, Jakob, die Ik uitgekozen heb, na-
komeling van Abraham, mijn vriend, jou die Ik heb weggehaald
van de einden der aarde, die Ik van haar verste uithoeken terug-
riep ­ jou zeg Ik: Jij bent mijn dienaar, jou heb Ik gekozen, Ik heb
je niet afgewezen.
Wees niet bang, want Ik ben bij je, vrees niet, want Ik ben je God.
Ik zal je sterken, Ik zal je helpen, je steunen met mijn onoverwin-
nelijke rechterhand.
Allen die zich fel tegen je keerden zullen gehoond worden en te
schande staan. Zij die jou bestreden worden minder dan niets
en gaan te gronde. Zij die jou onderdrukten zijn onvindbaar, je
zoekt ze vergeefs. De vijanden die jou bevochten zullen verdwij-
nen in het niets. Want Ik ben de HEER, je God, Ik neem je bij je
rechterhand en zeg je: Wees niet bang, Ik zal je helpen.
Wees niet bang, kleine Jakob, arm volk van Israël, Ik zal je hel-
pen – spreekt de HEER -, de Heilige van Israël is je bevrijder.
(Jesaja 41:8-14)

Strijd

De HEER doet de plannen van volken teniet, Hij verijdelt wat
naties beramen, maar het plan van de HEER houdt eeuwig stand,
wat Hij beraamt, blijft van geslacht tot geslacht. Gelukkig het
volk dat de HEER als zijn God heeft, de natie die Hij verkoos als
de zijne.

Het oog van de HEER rust op wie Hem vrezen en hopen op zijn
trouw: Hij zal hen redden in doodsgevaar, bij hongersnood zal
Hij hun leven sparen.
Israël verwacht vol verlangen de HEER, Hij is hun hulp en hun
schild. Ja, om Hem is Israëls hart verblijd, op zijn heilige naam
vertrouwen zij.
Schenk Israël Uw trouw, HEER, op U is al hun hoop gevestigd.
(Psalm 33:10-12,16-22)

God, met eigen oren hebben wij het gehoord, onze voorouders
vertelden het ons door: de daden die U verrichtte in hun dagen,
in de dagen van weleer. Om Israël te planten hebt U volken ver-
dreven, naties verslagen om ruimte te geven aan hén. Zij verkre-
gen het land niet met het zwaard, niet hun eigen kracht heeft hen
gered, maar Uw rechterhand, Uw arm, het licht van Uw gelaat. U
had Israël lief.
U, God, bent Israëls koning, U beveelt de redding van Jakob.
Met U stoot Israël haar belagers neer, met Uw naam vertrappen
zij hun tegenstanders. Het is niet Israëls boog waarop zij ver-
trouwt, niet haar zwaard dat Israël redt, U hebt Israël gered van
haar belagers, U liet haar haters beschaamd staan.
God, Israël looft U dag na dag, Uw naam zullen zij altijd prijzen.
sela
Toch hebt U Israël nu verstoten en vernederd: U trok niet ten
strijde met hun legers, U deed hen wijken voor hun belagers, hun
haters roofden hen leeg. Heel de dag moet Israël haar schande
dragen, het schaamrood bedekt haar gezicht als Israël de vijand
hoort spotten en sarren, hem vol wraakzucht ziet staan.
Dit is Israël overkomen, maar zij zijn U niet vergeten, Uw ver-
bond verloochenden zij niet, hun hart keerde zich niet van U af,
hun voeten weken niet van Uw pad. Toch hebt U Israël naar de
jakhalzen verbannen en hen met diepe duisternis bedekt.
Hadden zij de naam van hun God vergeten, hun handen uitge-
strekt naar een vreemde god, zou God dit niet hebben ontdekt?
Hij kent de geheimen van Israëls hart. Toch worden zij dag na
dag om U gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.
Word wakker, Heer, waarom slaapt U? Ontwaak! Verstoot Israël
niet voor eeuwig. Waarom verbergt U Uw gelaat, waarom vergeet
U Israëls ellende, hun nood?
Hun ziel ligt neergebogen in het stof, hun lichaam vastgekleefd
aan de aarde. Sta op, kom hen te hulp, verlos Israël, omwille van
Uw trouw. (Psalm 44:1-11,16-27)

Hoor Israël, herder van Israël, die Jozef leidt als een kudde.
U die troont op de cherubs, verschijn in luister aan Efraïm, Ben-
jamin en Manasse.
Laat Uw kracht ontwaken, kom, en red Israël. God, keer Israëls
lot ten goede, toon Uw lichtend gelaat en zij zijn gered.
HEER, God van de hemelse machten, hoe lang nog blijft U ver-
toornd op Uw biddende volk? U liet hen brood van tranen eten en
een stroom van tranen drinken.
U hebt andere volken tegen Israël opgezet, hun vijanden drijven
de spot met Israël. God van de hemelse machten, keer hun lot ten
goede, toon Uw lichtend gelaat en Israël is gered.
(Psalm 80:1-8)

God, houd U niet stil, zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe,
Uw vijanden roeren zich, trots heffen Uw haters het hoofd.
Tegen Uw volk smeden zij een complot, ze spannen tegen Uw
lieveling samen, en zeggen: `Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls
naam zal nooit meer worden genoemd.’
Zij hebben samen plannen gesmeed en zich tegen U verenigd:
de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de zonen van
Hagar, Gebal en Ammon en Amalek, Filistea en de bewoners van
Tyrus. zelfs Assyrië heeft zich aangesloten en de hand gereikt aan
de zonen van Lot. Israëls God, maak hen tot distelpluis, tot kaf
dat verwaait in de wind. Zo snel als vuur het bos verbrandt, als
vlammen de bergen verschroeien, laat zo Uw storm hen voortja-
gen, Uw wervelwind hen verwarren.
Overdek hen met schande, dan zullen zij vragen naar Uw naam,
HEER. Laat hen beschaamd staan, in verwarring raken en eer-
loos verloren gaan, voorgoed. Dan zullen zij weten dat Uw naam
HEER is, dat U alleen de Allerhoogste bent op aarde. (Psalm
83:2-9,14-19
)

God van vergelding, HEER, God van vergelding, verschijn in
luister. Verhef U, rechter van de aarde, geef de hoogmoedigen
hun loon.
Hoe lang nog zullen de wettelozen, HEER, hoe lang nog zullen
de wettelozen juichen, de onrechtvaardigen het hoogste woord
voeren en trotse taal uitslaan?
Zij vertrappen Uw volk, HEER, onderdrukken Uw liefste be-
zit, weduwen en vreemdelingen doden ze, God van vergelding,
HEER, God van vergelding, verschijn in luister. Verhef U, rechter
van de aarde, geef de hoogmoedigen hun loon.
Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten, zijn liefste bezit niet
verlaten. Wie treedt voor Israël op tegen die onrechtvaardigen,
wie beschermt haar tegen die schurken?
De HEER is Israëls burcht geworden, Israëls God de rots waar-
op zij schuilt. Hij geeft de schuldigen het loon dat zij verdienen,
om hun onrecht brengt Hij hen tot zwijgen, de HEER, onze God,
brengt hen voorgoed tot zwijgen. (Psalm 94:1-6,14,16,22,23)

De HEER is een wrekende God, Hij duldt niemand naast zich.
De HEER is een woedende wreker, de HEER wreekt zich op zijn
tegenstanders, Hij richt zijn toorn op zijn vijanden.
De HEER is geduldig, maar zeer sterk, Hij laat nooit iets onge-
straft. De HEER gaat zijn weg door storm en wervelwind, wolken
zijn het stof van zijn voeten. Hij verheft zijn stem tegen de zee en
legt haar droog, de rivieren laat Hij verdrogen.
Bergen beven voor Hem, heuvels wankelen, de aarde rijst voor
Hem op, de wereld met al haar bewoners. Wie houdt zich staande
in zijn toorn?
Wie houdt stand in de gloed van zijn woede? zijn woede is als een
laaiend vuur, rotsen spatten voor Hem uiteen.
De HEER is goed, een vesting in tijden van nood,
Hij kent wie bij Hem schuilen. Maar zijn vijanden jaagt Hij het
duister in, met een vloedgolf verwoest Hij hun stad. Wat denken
ze tegen Hem te ondernemen? De HEER verijdelt hun plan, Juda
wordt geen tweede keer bedreigd.
Dit zegt de HEER: Al zijn ze op volle sterkte en zeer talrijk,
toch worden ze neergemaaid, het is met hen gedaan!
Ik heb je gekweld, Juda, maar Ik zal je niet meer kwellen,
want nu breek Ik zijn juk dat op je schouders ligt, en je riemen
ruk Ik los. (Nahum 1:2-10,12,13)

Genade, herstel, voorspoed

De HEER zal de rijk gevulde schatkamer van de hemel openen
om uw akkers op de juiste tijd regen te geven. Hij zal uw arbeid
op het land zo zegenen dat u aan veel volken leningen kunt ver-
schaffen, zonder ooit zelf te hoeven lenen.
De HEER zal u altijd de eerste plaats laten bekleden en nooit de
laatste. U zult iedereen voorbijstreven en nooit achteropraken,
als u de geboden van de HEER, uw God, gehoorzaamt en ze strikt
naleeft. (Deuteronomium 28:12-13)

Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven
heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door
de HEER, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken,
daar lering uit getrokken hebt en samen met uw kinderen naar de
HEER, uw God, terugkeert en Hem weer met hart en ziel gaat
gehoorzamen ­ daartoe heb ik u vandaag aangespoord ­, dan zal
de HEER, uw God, in uw lot een keer brengen: Hij zal zich over
u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die
landen bijeenbrengen. zelfs al zijn sommigen verbannen naar het
eind van de wereld, de HEER, uw God, zal u terughalen en weer
bij elkaar brengen.
Hij zal u terugbrengen naar het land dat uw voorouders ooit be-
zaten en het u weer in bezit geven. Hij zal u meer nog dan uw
voorouders zegenen en in aantal doen toenemen. De HEER, uw
God, zal uw hart besnijden en ook dat van uw nakomelingen,
zodat u Hem weer met hart en ziel zult liefhebben en in leven
zult blijven. De vervloekingen zal Hij bestemmen voor uw vijan-
den en voor iedereen die op uw ondergang uit was. En u zult de
HEER weer gehoorzaam zijn en al zijn geboden, zoals ik ze u van-
daag heb voorgehouden, in acht nemen. De HEER, uw God, zal u
voorspoed geven in alles wat u onderneemt, u kinderrijk maken
en uw vee en uw land vruchtbaar maken. Hij zal er weer vreugde
in vinden om u te zegenen, zoals voorheen bij uw voorouders.
(Deuteronomium 30:1-9)

HEER, hoor Israëls gebed, laat haar hulpkreet U bereiken. Ver-
berg Uw gelaat niet voor Israël, nu zij in nood verkeert. Wil naar
haar luisteren, antwoord haar haastig nu zij roept.
Haar dagen vervliegen als rook, haar gebeente gloeit als vuur.
Israëls hart is verschroeid en verdord als gras, zij vergeet haar
brood te eten. Zij is door haar klagen tot op het bot vermagerd.
As is het brood dat zij eet, het water dat zij drinkt vermengt zij
met tranen, want Uw toorn is tegen haar ontbrand, U tilde Israël
op en smeet haar neer. Haar dagen gaan heen als een schaduw,
zij moet verdorren als gras.
Maar U, HEER, troont voor eeuwig, Uw roem zal duren, geslacht
na geslacht. U zult opstaan en U over Sion ontfermen, de tijd van
genade is gekomen, Dit is het uur, want Uw dienaren hebben de
stenen van Sion lief, de ruïnes vervullen hen met deernis.
Alle volken zullen de naam van de HEER vrezen, alle koningen
van de aarde zijn majesteit eren als de HEER Sion heeft opge-
bouwd en Hij in majesteit is verschenen, als Hij zich neigt tot het
gebed van de ontheemden en zich van hun bidden niet afkeert.
(Psalm 102:2-6,10-18)

Toen de HEER het lot van Sion keerde, was het of zij droomden,
een lach vulde hun mond, hun tong brak uit in gejuich. Toen zei-
den alle volken: `De HEER heeft voor hen iets groots verricht.’
Ja, de HEER had voor Israël iets groots verricht, ze waren vol
vreugde. Keer ook nu hun lot, HEER, zoals U water doet weer-
keren in de woestijn. Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met
gejuich. Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad,
zal thuiskomen met gejuich, dragend de volle schoven.
(Psalm 126)

Over Samaria en Judea (zgn. `westoever’)

“Bergen van Israël, luister naar de woorden van de HEER! Dit
zegt God, de HEER: Vol leedvermaak heeft de vijand geroepen:
`Die oeroude bergen zijn nu van ons!'” Profeteer daarom het vol-
gende: “Dit zegt God, de HEER: Toen jullie verwoest waren, aas-
den de volken om je heen op jullie. Jullie gingen over de tong en
er werd over jullie gekletst…
Dit zegt God, de HEER: In het vuur van mijn hartstocht klaag
Ik Edom en al die andere volken aan. Hun hart was vol vreugde
en hun ziel vol verachting toen ze mijn land in bezit namen en
er de weidegronden buitmaakten.” Daarom moet jij profeteren
over het land van Israël. Zeg tot de bergen en tot de heuvels, tot
de rivierbeddingen en tot de dalen: “Dit zegt God, de HEER: Ik
spreek met hartstocht en woede! jullie zijn vernederd door an-
dere volken, en daarom ­ zegt God, de HEER ­ zweer Ik dat de
volken om je heen zelf vernederd zullen worden. Maar, bergen
van Israël, jullie bomen zullen weer uitlopen en vrucht dragen
voor mijn volk Israël, want dat zal spoedig terugkeren.
Ik zal Mij naar jullie toewenden, en jullie zullen weer worden be-
werkt en ingezaaid. Ik zal veel mensen op je laten wonen, heel
het volk van Israël, en de steden zullen weer worden bewoond, de
puinhopen weer worden opgebouwd. Er zullen veel mensen en
dieren op je wonen, ze zullen talrijk en vruchtbaar zijn, en jullie
zullen weer even dichtbevolkt zijn als in het verleden. Ik zal zor-
gen dat het jullie beter gaat dan vroeger, en jullie zullen beseffen
dat Ik de HEER ben. Er zullen weer mensen over je paden gaan:
mijn volk Israël zal jullie weer in bezit nemen, jullie worden voor-
goed hun eigendom… (Ezechiël 36:1-3,5-12)

Gods trouw en liefde

Je was een verlaten, wanhopige vrouw toen de HEER je terug-
riep. Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten? – zegt je
God. Ik heb je slechts een ogenblik verlaten, maar met open ar-
men zal Ik je weer ontvangen.
Ik verborg mijn gezicht voor je in laaiende toorn, één ogenblik
lang, maar Ik zal me weer over je (Israël) ontfermen met eeuwig-
durende liefde, zegt de HEER, die je vrijkoopt.
Dit is voor Mij als bij de vloed van Noach: zoals Ik heb gezworen
dat het water van Noach nooit meer de aarde zou overspoelen,
zo zweer Ik dat mijn toorn jou niet meer treft en dat Ik je nooit
meer bedreig. Al zouden de bergen wijken en de heuvels wanke-
len, mijn liefde zal nooit meer van jou wijken en mijn vredesver-
bond is onwankelbaar – zegt de HEER, die zich over je ontfermt.
(Jesaja 54:6-10)

Vanaf die dag zal het volk van Israël beseffen dat Ik, de HEER,
hun God ben, en de andere volken zullen beseffen dat de Israë-
lieten zelf aan hun ballingschap schuldig zijn. Omdat ze Mij on-
trouw waren verborg Ik mijn gelaat voor hen. Ik leverde hen aan
hun vijanden uit, en zij vielen door het zwaard. Maar, zegt God,
de HEER: nu zal Ik Jakobs lot ten goede keren, Me ontfermen
over heel het volk van Israël en strijden voor mijn heilige Naam.
Ze zullen beseffen dat Ik, de HEER, hun God ben: Ik heb hen
over de hele wereld in ballingschap gestuurd en Ik breng hen ook
weer naar hun eigen land terug; Ik zal niemand achterlaten. Ik
zal mijn Geest over het volk van Israël uitgieten en mijn gelaat
niet meer voor hen verbergen ­ zo spreekt God, de HEER.”‘
(Ezechiël 39:22,23,25,28,29)

`Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde
neem Ik het op voor Jeruzalem en Sion, en ziedend van woede
ben Ik op de zelfgenoegzame volken. Ik had mijn toorn immers
al weer laten varen, maar zij hebben mijn volk steeds harder aan-
gepakt. Daarom ­ zegt de HEER ­ keer Ik vol erbarmen terug
naar Jeruzalem. Mijn huis zal er worden herbouwd ­ spreekt
de HEER van de hemelse machten ­ en met het meetlint in de
hand zal een begin worden gemaakt met de wederopbouw van
de stad.’ Verder moest ik verkondigen: `Dit zegt de HEER van de
hemelse machten: Opnieuw zullen mijn steden overvloeien van
voorspoed, opnieuw zal de HEER Sion troosten, opnieuw zal Hij
Jeruzalem uitverkiezen.’ (Zacharia 1:14-17)

Troost

Volk van Jeruzalem, dat op de Sion woont, je hoeft geen tranen
meer te storten. Want Hij zal zich over je ontfermen als je wee-
klaagt, Hij zal antwoorden zodra Hij je hoort. De Heer zal jullie
brood geven in de benauwenis en water in de nood. Hij die jullie
onderricht gaf, zal zich niet langer verbergen. (Jesaja 30:19-20)

Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.
Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend
dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan,
omdat zij een dubbele straf voor haar zonden
uit de hand van de HEER heeft ontvangen…
Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion, verhef je stem met
kracht, vreugdebode Jeruzalem, verhef je stem, vrees niet.
Zeg tegen de steden van Juda: `Ziehier jullie God!’
Ziehier God, de HEER! Hij komt met kracht, zijn arm zal
heersen. Zijn loon heeft Hij bij zich, zijn beloning gaat voor Hem
uit. Als een herder weidt Hij zijn kudde: zijn arm brengt de lam-
meren bijeen, Hij koestert ze, en zorgzaam leidt Hij de ooien.
(Jesaja 40:1,2,9-11)

De HEER troost Sion, Hij biedt troost aan haar ruïnes. Hij maakt
haar woestenij aan Eden gelijk, haar wildernis wordt als de tuin
van de HEER. Het zal een oord zijn van vreugde en gejuich, waar
muziek en lofzang klinken…
Ik, Ik ben het die jullie troost. Hoe kun je dan bang zijn voor een
sterveling, voor een mensenkind dat vergaat als gras? Hoe kun
je de HEER vergeten, die je gemaakt heeft, die de hemel heeft
uitgespannen en de aarde gegrondvest? Hoe kun je je zo laten
beheersen door angst voor de toorn van je belagers, voor hun
pogingen je te vernietigen? Waar blijven die belagers met hun
toorn? Weldra wordt de geketende bevrijd; hij zal niet sterven,
niet afdalen in het graf, het zal hem aan niets ontbreken.
Ik, de HEER, jullie God, die de zee opzweep, zodat de golven
bruisen, wiens naam is HEER van de hemelse machten, Ik leg je
mijn woorden in de mond en bescherm je met de schaduw van
mijn hand, Ik die de hemel geplant heb en de aarde gegrondvest,
die tegen Sion zeg: `Mijn volk ben jij.’ (Jesaja 51:3,12-16)

Hoe welkom is de vreugdebode die over de bergen komt aange-
sneld, die vrede aankondigt en goed nieuws brengt, die redding
aankondigt en tegen Sion zegt: `Je God is koning!’
Hoor! Je wachters verheffen hun stem, samen barsten ze uit in
gejuich, want ze zien het met eigen ogen: de HEER keert terug
naar Sion. Breek uit in geJubel, ruïnes van Jeruzalem, want de
HEER troost zijn volk, Hij koopt Jeruzalem vrij.
De HEER ontbloot zijn heilige arm ten overstaan van alle volken,
en de einden der aarde zien hoe Israëls God redding brengt. (Jes-
aja 52:7-10
)

Laat allen die Jeruzalem liefhebben zich met haar verheugen en
juichen om haar, laat allen die om haar treuren nu samen met
haar jubelen. Aan haar vertroostende moederborst zullen jullie
drinken en verzadigd worden, haar rijke, volle borsten zullen je
zogen en verkwikken. Want dit zegt de HEER: Ik laat de vrede als
een rivier naar haar toe stromen, de rijkdom van alle volken als
een overlopende beek, en jullie zullen ervan drinken. Je zult op
de heup gedragen worden en worden gewiegd op haar schoot.
Zoals een moeder haar zoon troost, zo zal Ik jullie troosten; in
Jeruzalem zul je troost vinden. Wat jullie daar zien, zal je hart
verblijden, je botten zullen gedijen als het jonge groen. De HEER
zal zijn dienaren zijn macht tonen en zijn vijanden zijn verbol-
genheid. (Jesaja 66:10-14)

Volken, luister naar de woorden van de HEER, vertel het verder
op de verste eilanden: Hij die Israël verstrooid heeft, zal het sa-
menbrengen en het hoeden, zoals een herder zijn kudde.
Want de HEER verlost het volk van Jakob, Hij bevrijdt hen uit
de hand die sterker was dan zij. Zij komen juichend naar de Sion,
stralend van vreugde om de gaven van de HEER: koren, wijn,
olijfolie, en geiten, schapen, koeien. Zij gedijen als een waterrijke
hof, nooit meer zal het hun aan iets ontbreken. Meisjes dansen
vrolijk in de rei, jongens en grijsaards dansen mee. Hun rouw
verander Ik in vreugde, Ik troost hen, hun verdriet vergeten zij.
(Jeremia 31:10-13)

Op die dag zal Ik alles in het werk stellen om de volken uit te
roeien die Jeruzalem belagen. Het huis van David en de inwoners
van Jeruzalem echter zal Ik vervullen met een geest van mede-
dogen en inkeer. Ze zullen zich weer naar Mij wenden, en over
degene (Mij) die ze hebben doorstoken, zullen ze weeklagen als
bij de rouw om een enig kind; hun verdriet zal zo bitter zijn als
het verdriet om een oudste zoon. Op die dag zal men in Jeru-
zalem zo luid weeklagen als er in de vlakte van Megiddo wordt
geweeklaagd om Hadad-Rimmon. Het hele land zal rouwen…
(Zacharia 12:9-11)

Vrede

Verheugd was ik toen ik hoorde: `Wij gaan naar het huis van de
HEER,’ verheugd ben ik, nu onze voeten staan binnen je poorten,
Jeruzalem. Jeruzalem, als een stad gebouwd, hecht en dicht op-
een. Daar komen de stammen samen, de stammen van de HEER,
om Israëls plicht te vervullen, te prijzen de naam van de HEER.
Daar zetelt het gerecht, daar troont het huis van David.
Vraag om vrede voor Jeruzalem: `Dat rust hebben wie van je hou-
den, dat vrede heerst binnen je muren en rust in je vesting.’ Om
mijn verwanten en vrienden zeg ik: `Vrede zij in jou.’ Om het huis
van de HEER, onze God, wens ik je al het goede. (Psalm 122)

Wie op de HEER vertrouwt is als de Sionsberg, die onwankelbaar
vast staat voor eeuwig. Zoals de bergen Jeruzalem omringen, zo
omringt de HEER zijn volk van nu tot in eeuwigheid.
De scepter van het kwaad zal niet rusten op het land van de recht-
vaardigen en de rechtvaardigen zullen het onrecht de hand niet
reiken. Wees goed voor wie goed is, HEER, voor de oprechte van
hart. Maar wie een dwaalweg gaat – HEER, verdrijf hem en allen
die onrecht doen. Vrede over Israël! (Psalm 125)

Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning
is in aantocht, bekleed met gerechtigheid en zege. Nederig komt
Hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een
ezelin.
Hij zal vrede stichten tussen de volken. Zijn heerschappij strekt
zich uit van zee tot zee, van de Rivier tot de einden der aarde. Op
die dag zal God, de HEER, zijn volk als een kudde in veiligheid
brengen. Als edelstenen in een kroon zullen ze fonkelen op zijn
land. Wat schitterend! Wat mooi! (Zacharia 9:9,10,16,17)

Redding van Israël

Welnu, dit zegt de HEER, die jou schiep, Jakob, die jou vormde,
Israël: Wees niet bang, want Ik zal je vrijkopen, Ik heb je bij je
naam geroepen, je bent van Mij!
Moet je door het water gaan ­ Ik ben bij je; of door rivieren ­ je
wordt niet meegesleurd. Moet je door het vuur gaan ­ het zal je
niet verteren, de vlammen zullen je niet verschroeien.
Want Ik, de HEER, ben je God, de Heilige van Israël, je redder.
Voor jou geef Ik Egypte als losgeld, Nubië en Seba ruil Ik in tegen
jou. Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en Ik houd
zo veel van je dat Ik de mensheid geef in ruil voor jou, ja alle vol-
ken om jou te behouden. (Jesaja 43:1-4)

Gods woonplaats

De HEER heeft Sion verkozen en als woonplaats begeerd: `Dit
is, voor altijd, mijn rustplaats, hier verlang Ik te wonen. Ik zal
Sion met voedsel zegenen, de armen brood geven in overvloed en
de priesters met eer bekleden. Zijn getrouwen zullen juichen van
vreugde. Hier breng Ik Davids huis tot aanzien, hier ontsteek Ik
een lamp voor mijn gezalfde. Zijn vijanden bekleed Ik met schan-
de, maar op zijn hoofd schittert een kroon.’ (Psalm 132:13-18)

`Jubel, Sion, en verheug je, want Ik kom in jouw midden wo-
nen ­ spreekt de HEER. Er komt een tijd dat vele volken zich bij
Mij zullen aansluiten. Zij zullen mijn volk zijn, en bij jou, Sion,
zal Ik wonen.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de he-
melse machten Mij naar jullie gezonden heeft. Op heilige grond
zal de HEER het volk van Juda voorgoed in bezit nemen en op-
nieuw zal Hij Jeruzalem uitverkiezen. Wees stil voor de HEER,
al wat leeft, want Hij komt uit zijn heilige woning naar buiten.
(Zacharia 2:14-17)

`Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik brand van liefde
voor Sion; met vurige liefde neem Ik het op voor Jeruzalem. Dit
zegt de HEER: Ik keer terug naar de Sion en kom in Jeruzalem
wonen. “Stad van trouw” zal Jeruzalem heten, en de berg van de

HEER van de hemelse machten “Heilige berg”. Dit zegt de HEER
van de hemelse machten: Opnieuw zullen er op de pleinen van
Jeruzalem oude mensen zitten, steunend op hun stok vanwege
hun hoge leeftijd, en de straten zullen krioelen van de spelende
kinderen.
Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ook al lijkt het jullie,
die van dit volk nog over zijn, nu onmogelijk, waarom zou het
voor Mij onmogelijk zijn? ­ spreekt de HEER van de hemelse
machten. Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik zal mijn
volk bevrijden uit het land waar de zon opkomt en het land waar
de zon ondergaat en hen naar Jeruzalem brengen. Daar zullen ze
wonen. Zij zullen mijn volk zijn en Ik hun God, in onwankelbare
trouw. (Zacharia 8:2-8)

De HEER brult vanaf de Sion, Hij gromt vanuit Jeruzalem, zo-
dat hemel en aarde beven. Maar voor zijn volk is de HEER een
toevlucht, Israël biedt Hij bescherming. Dan zullen jullie inzien
dat Ik, de HEER, jullie God, woon op de Sion, mijn heilige berg.
Jeruzalem zal een heilige stad zijn; vreemden zullen er niet meer
binnengaan.
Dan, in die tijd, zal de wijn van de bergen druipen en de melk van
de heuvels vloeien; alle waterstromen van Juda zullen bruisen,
en in het huis van de HEER ontspringt een bron die zelfs het
droogste woestijndal bevloeit. Maar Egypte wordt een woestenij
en Edom een kale woestijn, om hun misdaden tegen Juda, om
het onschuldig bloed dat ze daar hebben vergoten.
Nooit gaat Juda ten onder en Jeruzalem blijft altijd bewoond.
Zou Ik die bloedschuld niet wreken? O zeker zal Ik die wreken!
Want de HEER woont op de Sion. (Joël 4:16-21)

(Verenigde) Naties, volken

Waartoe leidt het woeden van de volken, het rumoer van de na-
ties? Tot niets. De koningen van de aarde komen in verzet, de
wereldmachten spannen samen tegen de HEER en zijn gezalfde:
`Wij moeten hun juk afwerpen, ons van hun boeien bevrijden.’
Die in de hemel troont lacht, de Heer spot met hen. Dan spreekt
Hij tot hen in woede, en zijn toorn verbijstert hen: `Ikzelf heb
mijn koning gezalfd, op de Sion, mijn heilige berg.’
Het besluit van de HEER wil ik bekendmaken. Hij sprak tot mij:
`Jij bent mijn zoon, Ik heb je vandaag verwekt. Vraag het Mij en
Ik geef je de volken in bezit, de einden der aarde in eigendom. Jij
kunt ze breken met een ijzeren staf, ze stukslaan als een aarden
pot.’ Daarom, koningen, wees verstandig, wees gewaarschuwd,
leiders van de aarde. Onderwerp U, toon de HEER uw ontzag,
breng Hem bevend uw hulde. Bewijs eer aan zijn zoon met een
kus, anders ontvlamt zijn woede, en uw weg loopt dood, want
bij het geringste ontsteekt Hij in toorn. Gelukkig wie schuilen bij
Hem. (Psalm 2)

Wee! Vele volken bulderen zoals woeste zeeën bulderen, talrijke
naties razen zoals kolkende watermassa’s razen; de volken razen
woest, zoals het wildste water raast. Maar als God zijn stem ver-
heft, vluchten ze ver weg. Ze stuiven uiteen, als kaf op de wind in
de bergen, als dwarrelende bladeren in een storm…
In zijn ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een
stofje op een weegschaal; de eilanden weegt hij als zandkorrels.
De volken betekenen niets in zijn ogen, voor Hem zijn ze minder
dan niets. (Jesaja 17:12,13;40:15,17)

Nu lopen vele volken tegen je te hoop, ze zeggen: `Laat Sion maar
worden ontwijd, wij zullen ervan genieten!’ Maar ze weten niet
wat de HEER met ze voorheeft, ze hebben geen inzicht in zijn
besluit: dat Hij de volken verzameld heeft als graan op de dors-
vloer. Vrouwe Sion, dors hen. Ik geef je een horen van ijzer en
hoeven van brons, je zult die volken vertrappen. Wat ze hebben
buitgemaakt zal voor de HEER zijn, aan de Heer van de hele
aarde komt hun vermogen toe… De volken zullen het zien en be-
schaamd staan, beroofd van hun kracht, doof en met de hand
op de mond. Ze zullen stof likken als een slang, als dieren die
kronkelen over de grond. Sidderend zullen ze uit hun burchten
komen, vol ontzag voor de HEER, onze God. Ze zullen U vrezen!
(Micha 4:11-13;7:16-17)

Gods liefde, barmhartigheid

Is Efraïm niet mijn geliefde zoon, is hij niet mijn oogappel? Tel-
kens als Ik over hem spreek rijst zijn beeld in Mij op, dan raak
Ik diep bewogen. Ik móet Mij over hem ontfermen – spreekt de
HEER. (Jeremia 31:20)

Toen Israël nog een kind was, had Ik het lief; uit Egypte heb Ik
mijn zoon weggeroepen. Hoe harder ze geroepen werden, hoe
meer ze hun eigen weg gingen. Ze brachten offers aan de Baäls en
brandden wierook voor godenbeelden ­ terwijl Ik het toch was
die Efraïm leerde lopen en hem op mijn arm nam.
Maar zij beseften niet dat Ik hen verzorgde. Zacht leidde Ik hen
bij de teugels, aan koorden van liefde trok Ik hen mee; Ik ver-
loste hen van het juk om hen te laten eten, Ik hield hun het voer
zelfs nog voor… Ach Efraïm, hoe zou Ik je ooit kunnen prijsge-
ven? Hoe zou Ik je kunnen uitleveren, Israël? Zou Ik je prijsge-
ven als Adma, je laten ondergaan als Seboïm? mijn hart wordt
verscheurd, door barmhartigheid word Ik bewogen.
Ik zal mijn toorn laten varen en Efraïm niet opnieuw te gronde
richten. Want God ben Ik, en geen mens, Ik ben in jullie midden,
Ik ben heilig, Ik zal niet meer in woede ontsteken.
(Hosea 11:1-4,8,9)

En jullie, kinderen van Sion, wees blij en barst uit in geJubel om
de HEER, jullie God, want Hij geeft regen om je te verkwikken,
Hij laat de regen overvloedig op je neerdalen, vroege regen en
late regen, elk op de juiste tijd. De dorsvloeren liggen weer vol
met graan, de perskuipen lopen over van wijn en olie.
Ik zal jullie schadeloosstellen voor de oogst van jaren die door al
die zwermen sprinkhanen is opgevreten, door mijn grote leger,
dat Ik op jullie had afgestuurd. Je zult weer volop te eten heb-
ben, meer dan genoeg, en je zult de naam van de HEER, je God,
prijzen, want Ik heb wonderbaarlijk met jullie gehandeld; nooit
zal mijn volk weer te schande gemaakt worden.
Dan zullen jullie inzien dat Ik in Israëls midden ben, dat alleen
Ik, de HEER, jullie God ben; nooit zal mijn volk weer te schande
gemaakt worden. (Joël 2:23-27)

Jubel, vrouwe Sion, zing van vreugde, Israël, juich met heel je
hart, vrouwe Jeruzalem! De HEER heeft het vonnis over jou
tenietgedaan en je vijand verdreven. De HEER, de koning van
Israël, is in je midden, je hebt geen kwaad meer te vrezen. Op
die (deze) dag zal men tegen Jeruzalem zeggen: `Wees niet bang,
Sion! Laat de moed niet zinken!’ De HEER, je God, zal in je mid-
den zijn, Hij is de held die je bevrijdt.
Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou, in zijn liefde zal Hij
zwijgen, in zijn vreugde zal Hij over je jubelen. Alle treurenden
zal Ik bijeenbrengen, verzamelen wie op je feesten moesten ont-
breken. Hun vernedering drukte zwaar op de stad. In die (deze)
tijd zal Ik afrekenen met je verdrukkers, de kreupelen zal Ik red-
den, de verstrooiden bijeenbrengen. En hen die in de hele wereld
werden veracht zal Ik met eer en roem overladen.
In die (deze) tijd breng Ik jullie terug. Ik zal jullie verzamelen,
je zult met eer en roem overladen worden door alle volken op
aarde. Met eigen ogen zullen jullie zien hoe Ik je lot ten goede
keer ­ zegt de HEER. (Sefanja 3:14-20)

Vergeving, wederopbouw

U bent Uw land genadig geweest, HEER, U keerde het lot van
Jakob ten goede, nam de schuld van Uw volk weg en bedekte al
zijn zonden. sela
U bedwong Uw woede en wendde U af van Uw brandende toorn.
God, onze helper, keer tot Israël terug, onderdruk Uw afschuw
van Israël.
Wilt U voor eeuwig Uw toorn laten duren, verbolgen zijn van ge-
slacht op geslacht? Breng Israël weer tot leven, dan zullen zij zich
in U verheugen.
Toon Israël Uw trouw, HEER, en geef hen Uw hulp. Ik wil ho-
ren wat God tot hen zegt. De HEER spreekt woorden van vrede
tegen zijn volk, zijn getrouwen. Laten zij niet weer vervallen in
dwaasheid! Voor wie Hem eren is zijn hulp nabij: zijn glorie komt
wonen in ons land Israël, trouw en waarheid omhelzen elkaar,
recht en vrede begroeten elkaar met een kus, uit de aarde bloeit
de waarheid op, het recht ziet uit de hemel toe.
De HEER geeft al het goede: Israël zal vruchten geven. Het recht
gaat voor God uit en baant voor Hem de weg. (Psalm 85)

Dit zegt de HEER: In de woestijn kreeg Ik Israël lief, het volk
dat aan vernietiging ontkomen was. Ik ging hun voor en gaf hun
vrede. Van ver ben Ik naar je toe gekomen, vrouwe Israël. Ik heb
je altijd liefgehad, mijn liefde zal je altijd vergezellen.
Ik breng je weer tot bloei. Je zult weer dansen in de rei en de tam-
boerijnen laten klinken. In Samaria’s bergen zul je wijngaarden
planten, en mogen eten van de eerste vruchten. De dag breekt
aan dat in Efraïm de wachters op de bergen roepen: ‘Kom, laten
we op weg gaan naar de Sion, naar de HEER, onze God!’ Dit zegt
de HEER: juich van vreugde over Jakob, jubel aan het hoofd van
alle volken, roep het uit, zing een lofzang: “De HEER heeft zijn
volk gered en wat er van Israël nog overbleef bevrijd.”
(Jeremia 31:2-7)

Dit zegt de HEER: Ik zal de wonden van de stad verbinden en haar
herstellen, Ik geef de inwoners blijvende vrede en voorspoed. Ik
breng een keer in het lot van Juda en Israël en maak ze weer tot
het volk van vroeger. Ik zal het volk reinigen van alle wandaden
waarmee het tegen Mij gezondigd heeft. Ik zal het alle wandaden
vergeven waarmee het willens en wetens tegen Mij gezondigd
heeft. Jeruzalem zal Mij weer vreugde geven en Mij lof en roem
brengen bij alle volken op aarde. Die zullen horen hoeveel geluk
en voorspoed Ik Jeruzalem schenk, en huiveren van ontzag.
Dit zegt de HEER: jullie zeggen over Israël dat het een woestenij
is, dat er mens noch dier meer leeft. Maar in de steden van Juda
en de straten van Jeruzalem, die nu verwoest zijn, waar mens
noch dier meer leeft, zullen vreugdezangen klinken, zullen bruid
en bruidegom van blijdschap zingen, zal te horen zijn: “Loof de
HEER van de hemelse machten, want Hij is goed, eeuwig duurt
zijn trouw.” Er zullen dankoffers worden gebracht naar de tempel
van de HEER, want Ik keer het lot van Juda ten goede en maak
het weer als vroeger ­ zegt de HEER. (Jeremia 33:6-11)

Dan zal Ik het vervallen huis van David herbouwen, Ik zal de mu-
ren herstellen en opbouwen wat is neergehaald, Ik zal het in zijn
vroegere luister herstellen. Dan zal Israël in bezit nemen wat er
nog rest van Edom en van alle volken die Mij eens toebehoorden
­ spreekt de HEER, die dit alles doen zal…
Ik zal het lot van mijn volk Israël ten goede keren. Zij zullen hun
verwoeste steden herbouwen en erin wonen, ze zullen wijngaar-
den planten en de wijn ervan drinken, ze zullen tuinen aanleggen
en de vruchten ervan eten. Ik zal hen terugplanten in hun grond,
en zij zullen niet meer worden weggerukt uit het land dat Ik hun
heb gegeven ­ zegt de HEER, jullie God. (Amos 9:11,12,14,15)

Op die dag zul je zeggen: `Ik zal U loven, HEER. U bent woedend
op mij geweest, maar Uw toorn is geweken, U troost Israël. God,
Hij is Israëls redder. Ik heb een vast vertrouwen, ik wankel niet,
want de HEER is Israëls sterkte, Hij is hun beschermer, Hij heeft
hen redding gebracht.’ Vol vreugde zullen zij water putten uit de
bron van de redding.
Op die dag zullen zij zeggen: `Loof de HEER, roep zijn Naam uit.
Maak alle volken zijn daden bekend, verkondig zijn verheven
Naam. Zing een lied voor de HEER: wonderbaarlijk zijn zijn da-
den. Laat heel de aarde dit weten. jubel en juich, inwoners van
Sion, want groot is de Heilige van Israël, die in jullie midden
woont.’ (Jesaja 12)

God wijst Israël nooit af (tegenover `vervangingsleer’)

`Heb je gehoord wat de mensen zeggen? “De HEER heeft de twee
volken die Hij had uitgekozen, verworpen.” Ze schrijven mijn
volk af en zien het niet langer als een volk.
Maar dit zegt de HEER: Ik heb een verbond met de dag en de
nacht gesloten en de hemel en de aarde aan vaste wetten onder-
worpen. Zomin als Ik die zal verwerpen, zal Ik het nageslacht van
Jakob en van mijn dienaar David verwerpen. Ik zal altijd een van
zijn nakomelingen laten heersen over het nageslacht van Abra-
ham, Isaak en Jakob. Ik zal hun lot ten goede keren en Mij over
hen ontfermen.’ (Jeremia 33:24-26)

Dit zegt de HEER, die de zon heeft gemaakt als het licht voor de
dag, de maan en sterren als de lichten voor de nacht, die de zee
opzweept, zodat de golven bruisen, wiens naam is HEER van de
hemelse machten: Pas als deze orde ophoudt te bestaan ­ spreekt
de HEER ­ bestaat ook Israël niet meer, is het niet meer voor al-
tijd mijn volk. Dit zegt de HEER: Zoals de hoogte van de hemel
niet gemeten wordt, de diepte van het fundament der aarde niet
gepeild, zo verwerp Ik niet het nageslacht van Israël om alles wat
het heeft misdaan ­ spreekt de HEER. (Jeremia 31:35-37)

`Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: ‘Dorre beenderen,
luister naar de woorden van de HEER! Dit zegt God, de HEER:
Beenderen, Ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen.
Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met
huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven
komen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben.’
`Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de
wind: ‘Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind,
en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.’ Ik profeteerde
zoals Hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem ge-
vuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een
onafzienbare menigte.
En Hij zei tegen mij: `Mensenkind, deze beenderen zijn het volk
van Israël. Het zegt: ‘Onze botten zijn verdord, onze hoop is ver-
vlogen, onze levensdraad is afgesneden.’ Profeteer daarom en zeg
tegen hen: ‘Dit zegt God, de HEER: mijn volk, Ik zal jullie graven
openen, Ik laat jullie uit je graven komen en Ik zal jullie naar het
land van Israël terugbrengen. Jullie zijn mijn volk, en jullie zul-
len beseffen dat Ik de HEER ben als Ik je graven open en jullie
uit je graven laat komen. Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie
weer tot leven komen, Ik zal jullie terugbrengen naar je land, en
jullie zullen beseffen dat Ik de HEER ben. Wat Ik gezegd heb, zal
Ik doen ­ zo spreekt de HEER.’ (Ezechiël 37:4-6,9-14)

Aliyah

Wees niet bang, want Ik ben bij je. Ik haal je nakomelingen uit
het oosten terug, uit het westen breng Ik jullie bijeen. Tegen het
noorden zeg Ik: Geef hier! Het zuiden gebied Ik: Laat los! Breng
mijn zonen terug van verre, mijn dochters van de einden der aar-
de, allen over wie mijn Naam is uitgeroepen, en die Ik omwille
van mijn majesteit geschapen heb, gemaakt en gevormd.
(Jesaja 43:5-7)

Sion zegt: `De HEER heeft mij verlaten, mijn Heer is mij verge-
ten.’ Maar kan een vrouw haar zuigeling vergeten of harteloos
zijn tegen het kind dat zij droeg? zelfs al zou zij het vergeten, Ik
vergeet jou nooit. Ik heb je in mijn handpalm gegrift, je muren
staan Mij steeds voor ogen. Je kinderen haasten zich terug naar
huis, de vijand die je verwoestte en vernielde, trekt weg.
Open je ogen, kijk om je heen: ze stromen in drommen naar je
toe. Zo waar Ik leef ­ spreekt de HEER ­, je zult je met hen tooi-
en, hen dragen zoals een bruid haar sieraden.
Je puinhopen, je verwoeste en vernielde land ­ weldra zal het te
klein zijn voor al je bewoners, en je aartsvijand zal in de verte ver-
dwijnen. Je dacht dat je je kinderen verloren had, maar eens zul
je hen horen zeggen: `Het is ons hier te benauwd. Geef ons meer
ruimte om te wonen…’ Ik zal mijn hand opheffen naar vreemde
volken, Ik steek mijn vaandel voor hen op. Ze nemen je zonen
op hun arm en dragen je dochters op hun schouders. Koningen
zullen je verzorgen, vorstinnen zullen je zogen. Ze zullen voor je
knielen, zich diep vooroverbuigen, en het stof van je voeten lik-
ken. Dan zul je erkennen dat ik de HEER ben, die niet beschaamt
wie op Hem hopen. (Jesaja 49:14-20,23)

Wees niet bang, mijn dienaar Jakob, heb geen angst, Israël
- spreekt de HEER. Ik zal je uit dat verre land bevrijden, uit
de ballingschap breng Ik je nageslacht terug. Het volk van Ja-
kob keert terug en zal in vrede leven, zonder zorgen, zonder dat
het nog wordt opgeschrikt. Ik sta je terzijde en zal je bevrijden
- spreekt de HEER. Weet dat Ik je zal genezen, Ik zal je wonden
helen – spreekt de HEER – ook al noemt men je Verworpene en
zegt men: ‘Naar Sion kijken we niet meer om.’
Dit zegt de HEER: Ik keer het lot van Jakobs tenten ten goede, Ik
zal me om zijn woningen bekommeren. De steden zullen uit de as
herrijzen, paleizen worden in hun oude pracht hersteld. Dansend
komen de mensen naar buiten, met een lofzang op de lippen. Ik
doe het volk in aantal toenemen, het neemt niet meer in aantal af.
Ik geef het aanzien, het wordt niet langer veracht. Het volk wordt
weer als vroeger en houdt door mijn bescherming altijd stand.
(Jeremia 30:10,11,17-20)

Ik zal de inwoners samenbrengen uit alle landen waarheen Ik
ze in mijn grote woede en toorn verdreven heb, ze terugbrengen
naar deze stad en ze er in vrede laten wonen. Zij zullen mijn volk
zijn en Ik zal hun God zijn. Ik zal hen één van hart en één van zin
maken, zodat ze altijd ontzag voor Mij zullen hebben en het hun
en hun nageslacht goed zal gaan. Ik zal een eeuwig verbond met
hen sluiten, Ik keer Mij nooit meer van hen af en zal hen altijd
zegenen. Ik zal hen met ontzag voor Mij vervullen, zodat zij zich
nooit meer van Mij zullen afkeren. Ik zal er weer vreugde in vin-
den hen te zegenen en zal hen voorgoed in dit land planten. Met
hart en ziel zal Ik dat doen. Dit zegt de HEER: Zoals Ik over dit
volk al dit grote onheil heb gebracht, zo zal Ik het al het goede
brengen dat Ik hun beloof. (Jeremia 32:37-42)

Ik zal het volk van Juda onoverwinnelijk maken en de nakomelingen van Jozef laten zegevieren. Ik ben vol zorg voor hen en zal
hen veilig thuisbrengen. Dan zal het weer zijn als voorheen, alsof
Ik hen nooit verstoten had, want Ik ben de HEER, hun God, en
Ik zal hun gebeden verhoren… Ik zal hen bij Mij fluiten en hen
samenbrengen, want Ik heb hen vrijgekocht. Ze zullen weer even
talrijk worden als vroeger. (Zacharia 10:6,8)

Roep tot God

`HEER, al getuigen Israëls wandaden tegen hun, grijp toch in
omwille van Uw naam. Talloze malen was Israël U ontrouw, Israël heeft tegen U gezondigd. Bron van hoop voor Israël, redder in
tijden van nood, waarom bent U als een vreemdeling in dit land, als een reiziger die maar één nacht blijft? Waarom bent U als een
radeloze man, als een soldaat die Israël niet kan redden? U bent
toch in ons midden, HEER, Israël behoort U toch toe? Laat Israël
niet in de steek.’ (Jeremia 14:7-9)

`God, breng Israël uitkomst, HEER, kom haar haastig te hulp.
Dat beschaamd en vernederd worden wie haar naar het leven
staan, met schande terugwijken wie haar ongeluk zoeken, be-
schaamd zich omkeren wie de spot met Israël drijven. Wie bij
U hun geluk zoeken zullen lachen en vrolijk zijn, wie van U hun
redding verwachten zullen steeds weer zeggen: `God is groot!’ Is-
raël is arm en zwak, God, kom haastig, U bent Israëls helper, haar
bevrijder, HEER, wacht niet langer.’ (Psalm 70)

Israël, keer terug tot God

`Roep tegen het noorden: Kom terug, ontrouw Israël – spreekt de
HEER -, dan zal Ik mijn woede laten varen, want Ik ben vol ge-
nade, niet eeuwig duurt mijn toorn ­ spreekt de HEER.’
(Jeremia 3:12)

`Kom terug, ontrouwe kinderen ­ spreekt de HEER ­, want jullie
behoren Mij toe. Ik zal één van jullie uit elke stad nemen en twee
van jullie uit elke familie, en jullie naar Sion brengen. Ik zal jullie
herders naar mijn hart geven, en die zullen jullie met wijsheid en
inzicht weiden.’ (Jeremia 3:14-15)

`En Ik dacht: Jullie (Israël) zullen “vader” tegen Mij zeggen, jul-
lie keren je niet van Mij af… Kom terug, afvallige kinderen, Ik
zal jullie genezen van je ontrouw. Dan zullen jullie zeggen: “Hier
zijn we, wij komen bij U terug, want U bent de HEER, onze God.’
(Jeremia 3:19,22)

`Keer terug, Israël, naar de HEER, je God! Door je eigen wanda-
den ben je ten val gekomen. Kom met woorden van berouw en
keer terug naar de HEER. Zeg tegen Hem: `Vergeef ons al onze
misdaden. Neem wat goed is van ons aan. Als offer brengen wij U
oprechte woorden. Onze redding verwachten we niet langer van
Assyrië, op paarden en strijdwagens zullen wij niet meer vertrou-
wen, wat we zelf gemaakt hebben niet meer onze god noemen.
Immers, bij U vindt een wees ontferming!’ (Hosea 14:2-4)

`Laten we ons leven onderzoeken en doorvorsen, laten we terug-
keren naar de HEER, laten we met onze handen ook ons hart
opheffen tot God in de hemel.’ (Klaagliederen 3:40,41)

`Kinderen van Israël, keer terug naar Hem van wie jullie zo ver
zijn afgedwaald.’ (Jesaja 30:6)

`Neem deze dingen ter harte, Jakob, neem ze ter harte, Israël,
want jij bent mijn dienaar. Ik heb je gevormd, je bent mijn die-
naar, Israël, Ik zal je niet vergeten. Ik heb je misdaden als een
wolk doen verdampen, je zonden als de ochtendnevel. Keer terug
naar Mij: Ik zal je vrijkopen. Juich, hemel, want de HEER heeft
dit gedaan, jubel, diepten van de aarde, bergen, breek uit in ge-
juich, en ook jullie, bossen met al je bomen: Ja, de HEER koopt
Jakob vrij, in Israël toont Hij zijn luister.’ (Jesaja 44:21-23)

`Keer terug naar Mij en laat je redden, ook jullie aan de einden
der aarde; want Ik ben God, er is geen ander. Ik heb bij Mijzelf
gezworen: uit mijn mond komt gerechtigheid voort, een woord
dat Ik spreek wordt niet herroepen. Voor Mij zal elke knie zich
buigen en elke tong zal bij Mij zweren.’ (Jesaja 45:22-23)

Door hen weg te halen bij de vreemde volken, door hen bijeen te
brengen uit de landen van hun vijanden, laat Ik vele volken zien
dat ik heilig ben. Ze zullen beseffen dat Ik, de HEER, hun God
ben: Ik heb hen over de hele wereld in ballingschap gestuurd en
Ik breng hen ook weer naar hun eigen land terug; Ik zal niemand
achterlaten. Ik zal mijn geest over het volk van Israël uitgieten en
mijn gelaat niet meer voor hen verbergen ­ zo spreekt God, de
HEER. (Ezechiël 39:27-29)

`Daarom ­ spreekt de HEER ­, keer nu terug tot Mij met heel je
hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen. Niet je kleren
moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de HEER, jullie
God, want Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot
vergeving bereid. Misschien herroept Hij zijn vonnis, komt Hij
erop terug en laat Hij toch iets van zijn zegen over, zodat jul-
lie weer graan en wijn kunnen offeren aan de HEER, jullie God.’
(Joël 2:12-14)

Ik zal proclamaties

Wees niet bang, want Ik ben bij je, vrees niet, want Ik ben je God.
Ik zal je sterken, Ik zal je helpen, je steunen met mijn onover-
winnelijke rechterhand. (Jesaja 41:10)

Wees niet bang, kleine Jakob, arm volk van Israël, Ik zal je hel-
pen ­ spreekt de HEER ­de Heilige van Israël is je bevrijder.
(Jesaja 41:14)

In gerechtigheid heb Ik, de HEER, jou geroepen. Ik zal je bij de
hand nemen en je behoeden, Ik neem je in dienst voor mijn ver-
bond met de mensen en maak je tot een licht voor alle volken…
(Jesaja 42:6)

Blinden laat Ik gaan over onbekende wegen, op paden die ze niet
kennen voer Ik hen. Duisternis verander Ik in licht, ruig land
maak Ik vlak. Ja, deze dingen zal Ik doen, niets daarvan zal Ik
nalaten. (Jesaja 42:16)

Welnu, dit zegt de HEER, die jou schiep, Jakob, die jou vormde,
Israël: Wees niet bang, want Ik zal je vrijkopen, Ik heb je bij je
naam geroepen, je bent van Mij! (Jesaja 43:1)

Ik zal water uitgieten op dorstige grond, waterstromen over het
droge land. Ik zal mijn Geest uitgieten over je nazaten en mijn
zegen over je telgen. (Jesaja 44:3)

Neem deze dingen ter harte, Jakob, neem ze ter harte, Israël,
want jij bent mijn dienaar. Ik heb je gevormd, je bent mijn die-
naar, Israël, Ik zal je niet vergeten. ( Jesaja 44:21)

Ik heb je misdaden als een wolk doen verdampen, je zonden als
de ochtendnevel. Keer terug naar Mij: Ik zal je vrijkopen.
(Jesaja 44:22)

Ik zal je verborgen schatten schenken, diep weggeborgen rijk-
dommen. Dan zul je weten dat Ik de HEER ben, de God van Is-
raël, die jou bij je naam roept. (Jesaja 45:3)

Ik breng mijn gerechtigheid nabij, ze is niet ver meer, het duurt
niet lang voor Ik redding breng. Ik zal redding brengen in Sion,
Ik laat Israël in mijn luister delen. (Jesaja 46:13)

Hij zei: `Dat je mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te
richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog
maar het begin. Ik zal je maken tot een licht voor alle volken,
opdat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden der aarde
reikt.’ (Jesaja 49:6)

Dit zegt de HEER: In het uur van mijn genade geef Ik je antwoord,
op de dag van de redding zal Ik je helpen. Ik zal je behoeden, Ik
neem je in dienst voor mijn verbond met de mensen, om het land
weer op te richten, om het verlaten erfgoed in eigendom terug te
geven… (Jesaja 49:8)

Ik effen al mijn bergen tot een weg, Ik zal mijn paden plaveien.
(Jesaja 49:11)

Maar dit zegt God, de HEER: Ik zal mijn hand opheffen naar
vreemde volken, Ik steek mijn vaandel voor hen op. Ze nemen
je zonen op hun arm en dragen je dochters op hun schouders.
(Jesaja 49:22)

Toch zegt de HEER: Gevangenen worden de strijder ontnomen,
de tiran zal zijn buit verliezen. Wie een geding voert tegen jou zal
Ik
in een geding bestrijden, en Ikzelf zal je kinderen redden.
(Jesaja 49:25)

Ik heb je slechts een ogenblik verlaten, maar met open armen zal
Ik
je weer ontvangen. Ik verborg mijn gezicht voor je in laaiende
toorn, één ogenblik lang, maar Ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende liefde, zegt de HEER, die je vrijkoopt.
(Jesaja 54:7-8)

Ongelukkige, zo opgejaagd en ongetroost. Met fijne leem zal Ik je
stenen inleggen, op saffier zal Ik je grondvesten. (Jesaja 54:11)

Ik heb gezien wat ze deden, maar toch zal Ik hen genezen, hen lei-
den en hun barmhartigheid bewijzen. Treurenden bied Ik troost-
rijke woorden: Vrede, vrede voor iedereen, ver weg of dichtbij
­ zegt de HEER ­, Ik zal genezing brengen. (Jesaja 57:18)

Dan vind je vreugde in de HEER. Ik zal je laten rijden over de
hoogten van de aarde en je laten genieten van het land dat Ik je
voorvader Jakob in bezit heb gegeven. De HEER heeft gespro-
ken! (Jesaja 58:14)

Vreemdelingen zullen je muren herbouwen, hun koningen staan
je ter beschikking. Ik heb je geslagen in mijn woede, in mijn me-
dedogen zal Ik Me over je ontfermen. (Jesaja 60:10)

Eens was je verlaten en gehaat en werd je door niemand bezocht,
maar Ik zal je eeuwige roem verlenen, geslacht op geslacht zul je
een bron van vreugde zijn. (Jesaja 60:15)

In plaats van koper zal Ik je goud brengen, in plaats van ijzer
breng Ik zilver, koper in plaats van bomen, ijzer in plaats van
stenen. Ik stel de vrede aan als wachter en de gerechtigheid als
het gezag. (Jesaja 60:17)

De geringste groeit uit tot een duizendtal, de kleinste tot een
machtig volk. Ik, de HEER, zal dit spoedig volvoeren, wanneer
de tijd is gekomen. (Jesaja 60:22)

Want Ik, de HEER, heb het recht lief, Ik haat offers van roof-
goed. Ik zal hen getrouw belonen, een eeuwig verbond sluit Ik
met hen. (Jesaja 61:8)

Uit Jakob zal Ik nageslacht doen voortkomen, uit Juda een erf-
genaam van mijn bergland; Mijn uitverkorenen zullen het land in
bezit nemen, mijn dienaren zullen zich daar vestigen.
(Jesaja 65:9)

Dan zal Ik over Jeruzalem jubelen en Mij verblijden over mijn
volk. Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord.
(Jesaja 65:19)

Ik zal hun antwoorden nog voor ze Mij roepen, Ik zal hen verho-
ren terwijl ze nog spreken. (Jesaja 65:24)

Zoals een moeder haar zoon troost, zo zal Ik jullie troosten; in
Jeruzalem zul je troost vinden. (Jesaja 66:13)

Wees voor niemand bang, want Ik zal je ter zijde staan en je red-
den ­ spreekt de HEER. (Jeremia 1:8)

Roep tegen het noorden: Kom terug, ontrouw Israël ­ spreekt
de HEER ­, dan zal Ik mijn woede laten varen, want Ik ben vol
genade, niet eeuwig duurt mijn toorn ­ spreekt de HEER. (Jeremia 3:12)

Kom terug, ontrouwe kinderen ­ spreekt de HEER ­, want jullie
behoren Mij toe. Ik zal één van jullie uit elke stad nemen en twee
van jullie uit elke familie, en jullie naar Sion brengen.
(Jeremia 3:14)

Ik zal jullie herders naar mijn hart geven, en die zullen jullie met
wijsheid en inzicht weiden. (Jeremia 3:15)

Kom terug, afvallige kinderen, Ik zal jullie genezen van je on-
trouw. Dan zullen jullie zeggen: Hier zijn we, wij komen bij U
terug, want U bent de HEER, onze God. (Jeremia 3:22)

Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit het land van
het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen Hij
het verdreven had. Ik zal hen terugbrengen naar hun land, dat
Ik hun voorouders gegeven heb. (Jeremia 16:15)

Wat er nog van de schapen over is, zal Ik bijeenbrengen uit alle
landen waarheen Ik ze verjaagd heb. Ik breng ze terug naar hun
weide, ze zullen vruchtbaar zijn en in aantal toenemen.
(Jeremia 23:3)

Ik zal herders over ze aanstellen die ze zo zullen hoeden dat ze
geen angst meer kennen en er niet één meer zal worden gemist ­
spreekt de HEER. (Jeremia 23:4)

Ik zal welwillend naar hen omzien en hen naar dit land terug-
brengen. Ik zal hen opbouwen en niet afbreken, planten en niet
uitrukken. (Jeremia 24:6)

Mijn plan met jullie staat vast ­ spreekt de HEER. Ik heb jullie
geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: Ik zal je een hoopvolle toe-
komst geven. (Jeremia 29:11)

Jullie zullen Mij aanroepen en tot Mij bidden, en Ik zal naar jul-
lie luisteren. (Jeremia 29:12)

Ik zal me door jullie laten vinden ­ spreekt de HEER ­ en Ik
zal
in je lot een keer brengen. Ik zal jullie samenbrengen uit alle
volken en plaatsen waarheen Ik je verbannen heb ­ spreekt de
HEER ­ en je laten terugkeren naar Jeruzalem, waaruit Ik je heb
laten wegvoeren. (Jeremia 29:14)

Weet dat Ik je zal genezen, Ik zal je wonden helen ­ spreekt de
HEER ­ ook al noemt men je Verworpene en zegt men: `Naar
Sion kijken we niet meer om.’ (Jeremia 30:17)

Dit zegt de HEER: Ik keer het lot van Jakobs tenten ten goede, Ik
zal
me om zijn woningen bekommeren. De steden zullen uit de
as herrijzen, paleizen worden in hun oude pracht hersteld.
(Jeremia 30:18)

Zij komen terug in tranen, ze heffen smeekbeden aan, en Ik zal
hen leiden. Ik breng hen naar stromende beken en voer hen over
geëffende wegen; daar kunnen zij niet struikelen. Want Ik ben
voor Israël een vader, en Efraïm is mijn eerstgeboren zoon.
(Jeremia 31:9)

Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik
zal
hun lot ten goede keren, en dan zal in de steden van Juda, in
het hele land, opnieuw te horen zijn: ‘Moge de HEER je zegenen,
Jeruzalem, woonplaats van gerechtigheid, heilige berg!’
(Jeremia 31:23)

Wie dorstig zijn, zal Ik verkwikken; wie uitgeput zijn, geef Ik
kracht. (Jeremia 31:25)

De dag zal komen ­ spreekt de HEER ­ dat Ik Israël en Juda zal
inzaaien met mensen en met dieren. (Jeremia 31:27)

Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met Israël zal slui-
ten ­ spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen
en hem in hun hart schrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij mijn
volk. (Jeremia 31:33)

Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden:
‘Leer de HEER kennen,’ want iedereen, van groot tot klein, kent
Mij dan al ­ spreekt de HEER. Ik zal hun zonden vergeven en
nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan. (Jeremia 31:34)

Ik zal de inwoners samenbrengen uit alle landen waarheen Ik
ze in mijn grote woede en toorn verdreven heb, ze terugbrengen
naar deze stad en ze er in vrede laten wonen. (Jeremia 32:37)

Ik zal hen één van hart en één van zin maken, zodat ze altijd
ontzag voor Mij zullen hebben en het hun en hun nageslacht goed
zal gaan. (Jeremia 32:39)

Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, Ik keer Mij nooit
meer van hen af en zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag
voor Mij vervullen, zodat zij zich nooit meer van Mij zullen afke-
ren. (Jeremia 32:40)

Ik zal er weer vreugde in vinden hen te zegenen en zal hen voor-
goed in dit land planten. Met hart en ziel zal Ik dat doen.
(Jeremia 32:41)

Dit zegt de HEER: Zoals Ik over dit volk al dit grote onheil heb
gebracht, zo zal Ik het al het goede brengen dat Ik hun beloof.
(Jeremia 32:42)

Men zal ervoor betalen en in aanwezigheid van getuigen koop-
contracten opstellen en verzegelen, in het gebied van Benjamin,
in het gebied rond Jeruzalem, in de steden van Juda, van het
bergland, het heuvelland en de Negev. Want Ik zal hun lot ten
goede keren ­ spreekt de HEER. (Jeremia 32:44)

Roep Mij aan, en Ik zal je antwoorden, Ik zal je grote, won-
derlijke dingen bekendmaken, dingen die je volkomen onbekend
zijn. (Jeremia 33:3)

Dit zegt de HEER: Ik zal de wonden van de stad verbinden en
haar herstellen, Ik geef de inwoners blijvende vrede en voor-
spoed. (Jeremia 33:6)

Ik zal het volk reinigen van alle wandaden waarmee het tegen
Mij gezondigd heeft. Ik zal het alle wandaden vergeven waarmee
het willens en wetens tegen Mij gezondigd heeft. (Jeremia 33:8)

Op die dag, in die tijd, zal Ik aan Davids stam een rechtmatige
telg laten ontspruiten, die recht en gerechtigheid in het land zal
handhaven. (Jeremia 33:15)

Ontelbaar zijn de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan de
zee, even ontelbaar zal Ik de nakomelingen maken van mijn die-
naar David en van de Levieten die Mij dienen. (Jeremia 33:22)

Zomin als Ik die zal verwerpen, zal Ik het nageslacht van Jakob
en van mijn dienaar David verwerpen. Ik zal altijd een van zijn
nakomelingen laten heersen over het nageslacht van Abraham,
Isaak en Jakob. Ik zal hun lot ten goede keren en Mij over hen
ontfermen. (Jeremia 33:26)

Als jullie in dit land blijven, zal Ik jullie opbouwen en niet afbre-
ken, zal Ik jullie planten en niet uitrukken, want Ik heb spijt van
het onheil waarmee Ik jullie getroffen heb. (Jeremia 42:10)

Wees niet bang, mijn dienaar Jakob, heb geen angst, Israël. Ik
zal
je uit dat verre land bevrijden, uit de ballingschap voer Ik je
nageslacht naar huis terug. Het volk van Jakob keert terug en zal
in vrede leven, zonder zorgen, zonder dat het nog wordt opge-
schrikt. (Jeremia 46:27)

In die dagen, in die tijd, zal Ik onderzoeken of er nog wandaden
op Israëls rekening staan. Ze zullen er niet zijn. En Ik zal onder-
zoeken of Juda nog zonden op zijn rekening heeft staan. Ik zal
ze niet vinden, want allen die Ik in leven laat, zal Ik vergeven.
(Jeremia 50:20)

Dan zal Ik hen eensgezind maken en hun een nieuwe geest ge-
ven; Ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er
een levend hart voor in de plaats geven. (Ezechiël 11:19)

Wanneer Ik jullie heb weggeleid bij de volken waartussen jullie
nu leven, zullen jullie Mij als een geurig offer met vreugde vervul-
len. Ik zal jullie bij elkaar brengen vanuit de landen waarover
jullie nu verstrooid zijn, en zo de volken laten zien dat Ik heilig
ben. (Ezechiël 20:41)

Dit zegt God, de HEER: Ik zal het volk van Israël bijeenbrengen
vanuit de landen waarheen het is verstrooid ­ zo zal Ik alle vol-
ken laten zien dat Ik heilig ben. De Israëlieten zullen weer wonen
in hun eigen land, het land dat Ik aan mijn dienaar Jakob heb
gegeven. (Ezechiël 28:25)

…En daarom zal Ik mijn schapen te hulp komen; ze zullen niet
langer worden weggeroofd. Ik zal rechtspreken tussen de scha-
pen. (Ezechiël 34:22)

Ik zal een vredesverbond met ze sluiten, Ik zal het land vrij van
wilde dieren maken, zodat ze zelfs in de woestijn veilig kunnen
wonen en in de bossen onbezorgd kunnen slapen.
(Ezechiël 34:25)

Ik zal mijn schapen en het land rondom mijn heuvel zegenen, en
Ik zal de regen op gezette tijden doen neerdalen. Het zal regen
zijn die zegen geeft. (Ezechiël 34:26)

Ik zal Mij naar jullie toewenden, en jullie zullen weer worden
bewerkt en ingezaaid. (Ezechiël 36:9)

Ik zal veel mensen op je laten wonen, heel het volk van Israël,
en de steden zullen weer worden bewoond, de puinhopen weer
worden opgebouwd. (Ezechiël 36:10)

Er zullen veel mensen en dieren op je wonen, ze zullen talrijk en
vruchtbaar zijn, en jullie zullen weer even dichtbevolkt zijn als in
het verleden. Ik zal zorgen dat het jullie beter gaat dan vroeger,
en jullie zullen beseffen dat Ik de HEER ben. (Ezechiël 36:11)

Ik zal zorgen dat je de vernederingen van de andere volken niet
meer hoeft te verduren en hun spot niet meer hoeft te horen. Je
zult je volken niet langer te gronde richten – zo spreekt God, de
HEER. (Ezechiël 36:15)

Zeg daarom tegen het volk van Israël: ‘Dit zegt God, de HEER:
Ik zal ingrijpen, volk van Israël ­ niet omwille van jou, maar
omwille van mijn heilige naam, die je hebt ontwijd bij de volken
waar je gekomen bent!’ (Ezechiël 36:22)

Ik zal mijn grote naam, die door jullie bij die volken is ontwijd,
weer aanzien verschaffen. Die volken zullen beseffen dat Ik de
HEER ben ­ spreekt God, de HEER. Ik zal ze laten zien dat Ik
heilig ben.
Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van
alles wat onrein is, van al jullie afgoden.
Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je
versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor
in de plaats geven.
Ik zal jullie mijn Geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn
wetten leven en mijn regels in acht nemen.
Jullie zullen in het land wonen dat Ik aan je voorouders gegeven
heb, jullie zullen mijn volk zijn en Ik zal jullie God zijn.
Ik zal jullie redden van alles wat je onrein maakt, Ik zal het
koren bevelen overvloedig te groeien en nooit meer een hongers-
nood op jullie afsturen. (Ezechiël 36:23-29)

Dit zegt God, de HEER: Op de dag dat Ik jullie van je zonden
gereinigd heb, zal Ik in de steden weer mensen laten wonen en
zullen de puinhopen weer worden opgebouwd. (Ezechiël 36:33)

Dan zullen de volken om je heen beseffen dat Ik de HEER ben. Ik
zal
weer opbouwen wat verwoest was en beplanten wat verwil-
derd was. Wat Ik, de HEER, gezegd heb, zal Ik doen.
Dit zegt God, de HEER: Ook dit verlangen van het volk van Israël
zal Ik in vervulling laten gaan: Ik zal het volk zo talrijk maken
als een kudde schapen. (Ezechiël 36:36-37)

Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie
met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot
leven komen, en jullie zullen beseffen dat Ik de HEER ben.
(Ezechiël 37:6)

Profeteer daarom en zeg tegen hen: ‘Dit zegt God, de HEER: mijn
volk, Ik zal jullie graven openen, Ik laat jullie uit je graven ko-
men en Ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen.’
(Ezechiël 37:12)

Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen,
Ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen
dat Ik de HEER ben. Wat Ik gezegd heb, zal Ik doen ­ zo spreekt
de HEER. (Ezechiël 37:14)

Dit zegt God, de HEER: Ik haal de Israëlieten weg bij de volken
waar ze terechtgekomen zijn, Ik zal ze overal vandaan bijeen-
brengen en ze naar hun land laten terugkeren. (Ezechiël 37:21)

Ik zal één volk van hen maken in het land en op de bergen van
Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Niet langer zul-
len ze uit twee volken bestaan en verdeeld zijn in twee koninkrij-
ken. (Ezechiël 37:22)

Ze zullen zich niet meer verontreinigen met hun afgoden en hun
afschuwelijke misdaden, Ik zal hen van hun zondige ontrouw
redden en hen reinigen. Zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun
God zijn. (Ezechiël 37:23)

Ik sluit met hen een vredesverbond, een verbond dat eeuwig zal
duren. Ik zal hun een vaste woonplaats geven en hen talrijk ma-
ken; Mijn heiligdom zal voor altijd in hun midden staan.
(Ezechiël 37:26)

Bij hen zal Ik wonen; Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk
zijn. (Ezechiël 37:27)

Ik zal mijn Geest over het volk van Israël uitgieten en mijn ge-
laat niet meer voor hen verbergen ­ zo spreekt God, de HEER.
(Ezechiël 39:29)

Daarom zal Ik haar meelokken naar de woestijn en dan tot haar
hart spreken. Daar zal Ik haar wijngaarden aan haar terugge-
ven, het Achordal maak Ik tot een poort van hoop. En zij zal mijn
liefde beantwoorden als in de tijd van haar jeugd, als op de dag
dat ze wegtrok uit Egypte. (Hosea 2:16-17)

Ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken, Ik zal je hecht aan Mij
verbinden, door liefde en ontferming. (Hosea 2:21)

Ik zal mijn toorn laten varen en Efraïm niet opnieuw te gronde
richten. Want God ben Ik, en geen mens, Ik ben in jullie midden,
Ik ben heilig, Ik zal niet meer in woede ontsteken. (Hosea 11:9)

Ik zal voor Israël zijn als de dauw. Het zal bloeien als een lelie,
wortelen als een ceder op de Libanon… (Hosea 14:6)

De HEER geeft zijn volk dit antwoord: Ik zal jullie weer over-
vloedig voorzien van koren, wijn en olie. Ik zal jullie niet meer
prijsgeven aan de spot van andere volken. (Joël 2:19)

Ik zal jullie schadeloosstellen voor de oogst van jaren die door al
die zwermen sprinkhanen is opgevreten, door mijn grote leger,
dat Ik op jullie had afgestuurd. (Joël 2:25)

Daarna zal zich dit voltrekken: Ik zal mijn Geest uitgieten over al
wat leeft. Jullie zonen en dochters zullen profeteren, oude men-
sen zullen dromen dromen, en jongeren zullen visioenen zien…
zelfs over slaven en slavinnen zal Ik in die tijd mijn Geest uitgie-
ten. (Joël 3:1-2)

Dan zal Ik het vervallen huis van David herbouwen, Ik zal de
muren herstellen en opbouwen wat is neergehaald, Ik zal het in
zijn vroegere luister herstellen. (Amos 9:11)

Ik zal het lot van mijn volk Israël ten goede keren. Zij zullen hun
verwoeste steden herbouwen en erin wonen, ze zullen wijngaar-
den planten en de wijn ervan drinken, ze zullen tuinen aanleggen
en de vruchten ervan eten. Ik zal hen terugplanten in hun grond,
en zij zullen niet meer worden weggerukt uit het land dat Ik hun
heb gegeven ­ zegt de HEER, jullie God. (Amos 9:14-15)

Ik zal je bijeenbrengen, Jakob, je in je geheel bijeenbrengen. Ik
zal
verzamelen wat er van Israël over is, Ik zal het verzamelen.
Ik zal ze samenbrengen als schapen en geiten binnen de omhei-
ning, als een kudde in de wei; het zal daar gonzen van de mensen.
(Micha 2:12)

De kreupelen zal Ik sparen, van de verdrevenen maak Ik een
groot volk, en op de Sion zal de HEER hun koning zijn, van nu tot
in eeuwigheid. (Micha 4:7)

Alle treurenden zal Ik bijeenbrengen, verzamelen wie op je fees-
ten moesten ontbreken. (Sefanja 3:18)

In die tijd zal Ik afrekenen met je verdrukkers, de kreupelen zal
Ik
redden, de verstrooiden bijeenbrengen. En hen die in de hele
wereld werden veracht zal Ik met eer en roem overladen.
(Sefanja 3:19)

De luister van deze tempel zal groot zijn, nog groter dan voor-
heen ­ zegt de HEER van de hemelse machten ­, en van hieruit
zal Ik jullie vrede en voorspoed geven ­ spreekt de HEER van de
hemelse machten. (Hagaï 2:9)

Het is waar dat het zaad nog ongebruikt in de schuur ligt, en ook
hebben de wijnstok en de vijgenboom, de granaatappel en de olijf
nog geen vrucht gedragen, maar vanaf vandaag zal Ik jullie mijn
zegen geven. (Hagaï 2:19)

Ik zal zelf rondom de stad (Jeruzalem) een muur van vuur zijn –
spreekt de HEER – en haar met mijn luister vullen.
(Zacharia 2:9)

Ik leg een steen voor je neer, Jozua, één enkele steen, waarop
zeven ogen rusten. Ikzelf zal daarin een inscriptie graveren ­
spreekt de HEER van de hemelse machten ­ en in één enkele dag
zal Ik dit land reinigen van alle schuld. (Zacharia 3:9)

Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik zal mijn volk be-
vrijden uit het land waar de zon opkomt en het land waar de zon
ondergaat. (Zacharia 8:7)

Nu is het zaad gezegend: de wijnstok zal vrucht dragen, de aarde
zal haar opbrengst geven, de hemel zal zijn dauw afstaan. Dit al-
les zal Ik schenken aan wie er van dit volk nog over zijn.
(Zacharia 8:12)

Ik zal de wacht betrekken en mijn land beschermen tegen door-
trekkende legers. Geen tiran zal het nog binnenvallen, want nu
waak Ik er met eigen ogen over. (Zacharia 9:8)

Want, Sion, omwille van mijn verbond met jou, met offerbloed
bekrachtigd, zal Ik de gevangenen vrijlaten uit de put zonder
water. (Zacharia 9:11)

Keer terug naar de burcht, gevangenen. Jullie hoop is niet ver-
geefs geweest, want ook nu geldt de toezegging aan Sion: Ik zal
je dubbel schadeloosstellen. (Zacharia 9:12)

Ik zal het volk van Juda onoverwinnelijk maken en de nakome-
lingen van Jozef laten zegevieren. Ik ben vol zorg voor hen en zal
hen veilig thuisbrengen. Dan zal het weer zijn als voorheen, alsof
Ik hen nooit verstoten had, want Ik ben de HEER, hun God, en
Ik zal hun gebeden verhoren. (Zacharia 10:6)

Ik zal hen bij Mij fluiten en hen samenbrengen, want Ik heb hen
vrijgekocht. Ze zullen weer even talrijk worden als vroeger.
(Zacharia 10:8)

In den vreemde zal Ik hen vrucht laten dragen, in verre streken
zullen ze Mij gedenken en hun kinderen grootbrengen, en dan
zullen ze terugkeren. (Zacharia 10:9)

Het huis van David en de inwoners van Jeruzalem echter zal Ik
vervullen met een geest van mededogen en inkeer. Ze zullen zich
weer naar Mij wenden, en over Mij die ze hebben doorstoken,
zullen ze weeklagen als bij de rouw om een enig kind; hun ver-
driet zal zo bitter zijn als het verdriet om een oudste zoon.
(Zacharia 12:10)

Dat deel zal Ik louteren in het vuur: Ik zal hen smelten als zilver
en zuiveren als goud. Zij zullen mijn naam aanroepen en Ik zal
antwoorden. Ik zal zeggen: `Dit is mijn volk,’ en zij zullen zeg-
gen: `De HEER is onze God.’ (Zacharia 13:9)

Op de dag die Ik voorbereid ­ zegt de HEER van de hemelse
machten ­ zullen zij mijn eigendom zijn. Ik zal hen sparen zoals
je een kind spaart dat je gehoorzaam is. (Maleachi 3:17)

Gods liefde voor Israël

De HEER heeft Uw voorouders liefgehad en hun nageslacht uit-
gekozen, en Hij zelf heeft U met zijn grote macht uit Egypte be-
vrijd en ter wille van U volken verdreven die groter en machtiger
waren dan U, om U hun land binnen te leiden en het U in eigen-
dom te geven, zoals dat nu gebeurt. (Deuteronomium 4:37-38)

`Want U bent een volk dat aan de HEER, Uw God, is gewijd. U
bent door Hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken
op aarde, zijn kostbaar bezit te zijn. Het is niet omdat U talrijker
was dan de andere volken dat hij U lief kreeg en uitkoos ­ U was
het kleinste van allemaal! Maar omdat Hij U liefhad en zich wil-
de houden aan wat Hij Uw voorouders onder ede had beloofd…
(Deuteronomium 7:6-8)

Maar omdat de HEER, Uw God, U liefhad, heeft Hij Bileam geen
gehoor geschonken en de vervloeking in een zegening omgezet.
(Deuteronomium 23:6)

Hij vond het in een dorre woestijn, in een niemandsland vol
van gevaar. Hij omringde het met zorg en met liefde, koesterde
het als zijn oogappel. Zoals een arend over zijn jongen waakt en
voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en
zijn jongen daarop draagt, zo heeft de HEER zijn volk geleid…
(Deuteronomium 32:10-12)

Hij kreeg Israëls stammen lief, Hij hield al de zijnen in zijn hand.
Ze waren gezeten aan zijn voeten en ontvingen zijn onderwijzing.
De HEER laat zijn lieveling bij zich schuilen. Zijn kind omarmt
Hem van vroeg tot laat, het nestelt zich veilig op zijn rug. Wie is
zo gelukkig als U, Israël? Geen ander volk liet de HEER de over-
winning. Hij is het schild dat U beschermt…
(Deuteronomium 33:3,12,29)

Hij koos voor ons een eigen land, de trots van Jakob, het volk dat
Hij liefheeft. (Psalm 47:5)

Geef Uw duifje niet prijs aan de wilde dieren, vergeet Uw verne-
derd volk niet voorgoed. (Psalm 74:19)

Tegen Uw volk smeden zij een complot, ze spannen tegen Uw
lieveling samen, en zeggen: `Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls
naam zal nooit meer worden genoemd.’ (Psalm 83:4-5)

Zij vertrappen Uw volk, HEER, onderdrukken Uw liefste bezit,
Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten, zijn liefste bezit niet
verlaten. (Psalm 94:5,14)

Hij verhoogt het aanzien van zijn volk, de roem van al wie Hem
trouw zijn, het volk van Israël, dat Hem nabij is. (Psalm 148:14)

Op die dag zal de HEER het land tot bloei brengen, het zal als een
kostbaar sieraad zijn. (Jesaja 4:2)

Israël is de wijngaard van de HEER van de hemelse machten, de
uitgelezen aanplant zijn de inwoners van Juda. (Jesaja 5:7)

Op die dag zal men de prachtige wijngaard bezingen. Ik, de HEER,
houd de wacht over mijn wijngaard, steeds opnieuw bevloei Ik
hem. Dag en nacht zal Ik de wacht houden… (Jesaja 27:2-3)

Luister naar Mij, volk van Jakob en al wat er van Israël nog over
is ­ van de moederschoot af door Mij gedragen, door Mij gekoes-
terd vanaf de geboorte: Tot in je ouderdom blijf Ik dezelfde, tot
in je grijsheid zal Ik je steunen. Wat Ik gedaan heb, zal Ik blijven
doen, Ik zal je steunen en beschermen. (Jesaja 46:3-4)

Maar jou, Israël, mijn dienaar, Jakob, die Ik uitgekozen heb, na-
komeling van Abraham, mijn vriend… (Jesaja 41:8)

Men noemt je niet langer Verlatene en je land niet langer Troos-
teloos oord, maar je zult heten mijn verlangen en je land mijn
bruid. Want de HEER verlangt naar jou en je land wordt ten
huwelijk genomen. Zoals een jongeman een meisje tot vrouw
neemt, zo zullen jouw zonen jou ten huwelijk nemen,en zoals de
bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zo zal je God zich over
jou verheugen. en jij zult `Geliefde’ heten, `Nooit verlaten stad’.
(Jesaja 62:4,5,12)

Ik heb mijn volk verlaten, mijn bezit opgegeven, mijn zielsbe-
minde aan haar vijanden overgeleverd. (Jeremia 12:7)

Dit zegt de HEER: In de woestijn kreeg Ik Israël lief, het volk
dat aan vernietiging ontkomen was. Ik ging hun voor en gaf hun
vrede. Van ver ben Ik naar je toe gekomen, vrouwe Israël. Ik heb
je altijd liefgehad, mijn liefde zal je altijd vergezellen. Ik breng je
weer tot bloei. (Jeremia 31:2-4)

Is Efraïm niet mijn geliefde zoon, is hij niet mijn oogappel? Tel-
kens als Ik over hem spreek rijst zijn beeld in Mij op, dan raak
Ik diep bewogen. Ik móet Mij over hem ontfermen ­ spreekt de
HEER. (Jeremia 31:20)

Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, Ik keer Mij nooit meer
van hen af en zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag voor
Mij vervullen, zodat zij zich nooit meer van Mij zullen afkeren. Ik
zal er weer vreugde in vinden hen te zegenen en zal hen voorgoed
in dit land planten. Met hart en ziel zal Ik dat doen.
(Jeremia 32:40-41)

Ik zal het volk reinigen van alle wandaden waarmee het tegen Mij
gezondigd heeft. Ik zal het alle wandaden vergeven waarmee het
willens en wetens tegen Mij gezondigd heeft. Jeruzalem zal Mij
weer vreugde geven en Mij lof en roem brengen bij alle volken op
aarde. Die zullen horen hoeveel geluk en voorspoed Ik Jeruzalem
schenk, en huiveren van ontzag. (Jeremia 33:8-9)

Ik keer mijn gelaat af van mijn volk, en de plaats die Mij het liefst
is wordt door rovers platgetreden en ontwijd. (Ezechiël 7:22)

Je was bij alle volken beroemd om je schoonheid, en je schoon-
heid was volmaakt want ze kwam van Mij ­ spreekt God, de
HEER. (Ezechiël 16:14)

Op die dag zwoer Ik hun dat Ik hen uit Egypte weg zou leiden
naar het land dat Ik voor hen had uitgezocht, een land dat over-
vloeit van melk en honing, de parel onder de landen van de we-
reld. (Ezechiël 20:6)

Toen Israël nog een kind was, had Ik het lief; uit Egypte heb Ik
mijn zoon weggeroepen. Hoe harder ze geroepen werden, hoe
meer ze hun eigen weg gingen. Ze brachten offers aan de Baäls en
brandden wierook voor godenbeelden ­ terwijl Ik het toch was
die Efraïm leerde lopen en hem op mijn arm nam. Maar zij besef-
ten niet dat Ik hen verzorgde. Zacht leidde Ik hen bij de teugels,
aan koorden van liefde trok Ik hen mee; Ik verloste hen van het
juk om hen te laten eten, Ik hield hun het voer zelfs nog voor…
Ach Efraïm, hoe zou Ik je ooit kunnen prijsgeven? Hoe zou Ik je
kunnen uitleveren, Israël? Zou Ik je prijsgeven als Adma, je laten
ondergaan als Seboïm? mijn hart wordt verscheurd, door barm-
hartigheid word Ik bewogen. (Hosea 11:1-5,8)

Ik genees hen van hun ontrouw, mijn hart gaat naar hen uit. mijn
toorn heb Ik laten varen. Ik zal voor Israël zijn als de dauw. Het
zal bloeien als een lelie, wortelen als een ceder op de Libanon;
zijn jonge loten zullen uitlopen. Het zal als een prachtige olijf-
boom pronken en geuren als de ceders op de Libanon.
(Hosea 14:5-7)

Weid Uw volk met Uw staf, Uw geliefde kudde die eenzaam leeft
in het woud, omringd door vruchtbaar land. (Micha 7:14)

Jubel, vrouwe Sion, zing van vreugde, Israël, juich met heel je
hart, vrouwe Jeruzalem! De HEER heeft het vonnis over jou te-
nietgedaan en je vijand verdreven. De HEER, de koning van Is-
raël, is in je midden, je hebt geen kwaad meer te vrezen. Op die
dag zal men tegen Jeruzalem zeggen: `Wees niet bang, Sion! Laat
de moed niet zinken!’ De HEER, je God, zal in je midden zijn, Hij
is de held die je bevrijdt. Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over
jou, in zijn liefde zal Hij zwijgen, in zijn vreugde zal Hij over je ju-
belen. Alle treurenden zal Ik bijeenbrengen, verzamelen wie op je
feesten moesten ontbreken. Hun vernedering drukte zwaar op de
stad. In die tijd zal Ik afrekenen met je verdrukkers, de kreupelen
zal Ik redden, de verstrooiden bijeenbrengen. En hen die in de
hele wereld werden veracht zal Ik met eer en roem overladen. In
die tijd breng Ik jullie terug. Ik zal jullie verzamelen, je zult met
eer en roem overladen worden door alle volken op aarde. Met
eigen ogen zullen jullie zien hoe Ik je lot ten goede keer ­ zegt de
HEER. (Sefanja 3:14-20)

`Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde
neem Ik het op voor Jeruzalem en Sion, en ziedend van woede
ben Ik op de zelfgenoegzame volken. Ik had mijn toorn immers al
weer laten varen, maar zij hebben mijn volk steeds harder aange-
pakt. Daarom ­ zegt de HEER – keer Ik vol erbarmen terug naar
Jeruzalem. Mijn huis zal er worden herbouwd -
(Zacharia 1:14,15)

Want de HEER van de hemelse machten, die mij zijn grootheid
heeft geopenbaard en die mij gezonden heeft, zegt over de volken
door wie jullie geplunderd zijn: `Wie aan mijn volk komt, komt
aan mijn oogappel. (Zacharia 2:12)

Op die dag zal God, de HEER, zijn volk als een kudde in veilig-
heid brengen. Als edelstenen in een kroon zullen ze fonkelen op
zijn land. Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen en vrouwen
bloeien op, gesterkt door wijn en graan. (Zacharia 9:16,17)

Ik heb jullie lief – zegt de HEER -, en jullie zeggen: `Waaruit blijkt
die liefde dan?’ zijn Jakob en Esau geen broers? – spreekt de
HEER. Toch heb Ik Jakob liefgehad en Esau gehaat.
(Maleachi 1:2-3)