De twee getuigen

Weblog van Bas van Twist, juni 2018

In Openbaring 11:3-13 lezen we een bijzonder verhaal, waarover al velen het hoofd hebben gebogen en waarover allerlei theorieën bestaan. Het gaat over Gods twee getuigen, die van Hem macht krijgen om te profeteren. Ze doen dat gedurende 1260 dagen, gehuld in een boetekleed. Echter, als zij hun getuigenis hebben afgelegd worden ze gedood en blijven hun dode lichamen drieënhalve dag op het plein van de stad liggen, tot vreugde van de mensen op aarde. Maar na die drieënhalve dag komen ze weer tot leven, tot grote schrik van de mensen op aarde, en roept God hen bij Zich.

Deze twee getuigen spelen duidelijk een centrale rol in Gods heilsplan. Ze belichamen “de twee olijfbomen en de twee lampenstandaards die voor de Heer van de wereld staan.” Uit het vijfde visioen van Zacharia weten we dat “de twee olijfbomen” staan voor “de twee gezalfden, die naast de Heer van de hele aarde staan” (Zacharia 4:11-14). En omdat de twee olijfbomen en de twee menora’s hier symbool staan voor dezelfde twee getuigen, zien de twee menora’s eveneens op de twee gezalfden.

Veruit de meeste Bijbeluitleggers menen dat de twee getuigen zullen optreden in de laatste jaren, voorafgaande aan de wederkomst van Jeshua. Maar de tekst geeft mij veel meer aanleiding te veronderstellen, dat het om getuigen gaat die voortdurend “voor de Heer van de wereld staan” en niet alleen kort voor de wederkomst.

Maar wie zíjn die twee gezalfden, die naast de Heer van de hele aarde staan? Wie zíjn die twee door God uitverkorenen?

Dikwijls wordt gedacht aan Mozes en Elia, omdat hun wondertekenen lijken op die van Mozes en Elia en zij samen aan Jeshua verschijnen op de berg der verheerlijking (Mattheüs 17:1-8). Anderen menen dat het om Henoch en Elia gaat, omdat zij beiden, zonder te sterven, door God in de hemel zijn opgenomen (Genesis 5:24; 2 Koningen 2:11) en een mens maar één keer kan sterven (Hebreeën 9:27).

Er is voor beide opties veel te zeggen, maar als het om getuigen gaat die voortdurend “voor de Heer van de wereld staan“, dan vallen deze grote profeten af.

Zou God, als Hij spreekt over Zijn twee getuigen, niet doelen op Israël, Zijn eerstgeboren zoon (Exodus 4:22), en Jeshua, Zijn Eniggeboren Zoon (Johannes 3:18, nbg)?

Van Israël zegt God namelijk: “Jij bent Mijn dienaar, jou heb Ik uitverkoren” (Jesaja 41:9, nbv/sv) en ook “Mijn getuige zijn jullie (…), Mijn dienaar, die Ik uitgekozen heb” (Jesaja 43:10).

Van Jeshua zegt de Vader: “Dit is Mijn Zoon, Mijn Uitverkorene” (Lucas 9:35), terwijl Johannes, door de heilige Geest geïnspireerd, van Jeshua getuigt dat Hij “de betrouwbare Getuige” is (Openbaring 1:5).

Overigens noemt God Israël en Jeshua niet alleen “Mijn twee getuigen“, Hij noemt hen ook beiden “Mijn dienaar“. Verder lezen we van beiden dat God hen geroepen heeft nog vóór ze waren geboren en dat Hij in hen Zijn grootheid toont (Jesaja 49:1-6; Johannes 17:4). Daarnaast hebben zowel Israël als Jeshua messiaans geleden (Psalm 44:23; 1 Petrus 2:24) en wordt van beiden gezegd dat ze op “de derde dag” uit de dood zullen opstaan (Hosea 6:2; Mattheüs 20:19).

Het kan dan ook bijna niet anders, dan dat het bij Gods twee getuigen gaat om Israël, het volk door Hem geschapen, gemaakt en gevormd omwille van Zijn majesteit (Jesaja 43:7), en om Jeshua, Zijn geliefde Zoon, in Wie Hij vreugde vindt (Mattheüs 3:17).

Dat beide getuigen gekleed gaan in een boetekleed wil zeggen dat ze oproepen tot inkeer en verzoening. Inkeer, opdat God aan de zonden voorbijgaat en wil dat elk mens de waarheid leert kennen en Zijn komende Koninkrijk binnengaat. Tot verzoening, omdat Hij wil dat elk mens blijft leven en niet ten val komt en sterft (Ezechiël 18:23-32; Mattheüs 4:17, 11:21; Lucas 15:10, 24:47-48; Handelingen 11:18; 1 Timotheüs 2:4; 2 Petrus 3:9).

Dat God de mensen op aarde aanklaagt op grond van het optreden van twee getuigen, is conform Zijn Thora. In Deuteronomium 19:15 lezen we namelijk: “Een aanklacht krijgt pas rechtsgeldigheid op grond van de verklaring van ten minste twee getuigen” (Mattheüs 18:16).

De twee getuigen hebben de macht om de hemel te sluiten, opdat er geen regen zal vallen, om water in bloed te veranderen en de aarde te treffen met alle mogelijke plagen. Het is het oordeel dat volgt als de mens zich blijft verzetten tegen God en Zijn gezalfde (Psalm 2:2)

Elia en Mozes, twee gezichtsbepalende leiders van Israël, hadden van God die macht gekregen (1 Koningen 17:1; Exodus 7:19). Van Jeremia, één van Israëls profeten, lezen we zelfs dat God hem gezag gaf “over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten” (Jeremia 1:10). Maar ook de andere profeten kregen groot gezag (Jesaja 13:19, 23:1, 24; Ezechiël 30:3; Obadja 1:2; Nahum 3:7).

En Jeshua getuigt ervan dat de Vader Hem zelfs álle macht gegeven heeft, niet alleen op aarde, maar ook in de hemel (Mattheüs 28:18).

De periode van 1260 dagen, waarin de twee getuigen profeteren, is een door God vastgestelde tijd, een fase in Zijn heilsplan.

Het is de tijd dat de HEER door Israël, Zijn eerstgeboren zoon, Zijn majesteit bekend maakt aan de andere volken, met grootse daden, met tekenen en wonderen en opgeheven arm (Exodus 15:16; Deuteronomium 4:34; Psalm 149:6).

Het is ook de tijd dat de Vader Zijn grote Naam bekend maakt, door Zijn eniggeboren Zoon te geven tot redding van een verloren wereld, van welk wonder Israëls profeten meermaals getuigden (Psalm 40:8-9; Jesaja 49:6, 53:5-10; Johannes 3:16, 5:39, 12:27-28; Handelingen 10:43; 1 Timotheüs 2:4-6).

Als de twee getuigen gedurende 1260 dagen hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest uit de onderaardse diepte – een beeld van Satan – hen overwinnen en doden. En zo gebeurt het. Maar níet zonder de wil van de Vader!

Op 14 nisan 32 wordt Jeshua weggenomen door een onrechtvaardig vonnis, wordt Hij verbannen uit het land der levenden, terwijl Hij nooit enig onrecht heeft begaan, nooit bedrieglijke taal heeft gesproken (Jesaja 53).

En amper vier decennia later, op 9 av 70, wordt de heilige stad met haar Heiligdom door vuur verwoest en wordt de Joodse bevolking gedood, geknecht en uit haar land verdreven.

Gedurende drieënhalve dag “liggen hun lijken op het plein van de grote stad die in figuurlijke zin Sodom of Egypte heet.

Het is opnieuw een fase in Gods heilsplan, die voor Israël parallel lijkt te lopen met de 42 maanden dat Jeruzalem vertrapt wordt door de heidenen (Openbaring 11:2), de 1260 dagen dat het volk in ballingschap wordt gedreven (Openbaring 12:6) en de drieënhalve tijd dat “het vierde dier” (het beest) het Joodse volk te gronde richt (Daniël 7:25; Openbaring 13:5-7).

De twee getuigen zijn dood tot grote vreugde en opluchting van de mensen op aarde, “want die profeten waren een grote kwelling voor hen geweest.

Zij die van Gods majesteit moesten getuigen, zijn niet meer. En Gods tegenstander wil dat beslist zo houden. Jeruzalem mag nooit meer in Joodse handen komen. De boodschap van verlossing en eeuwig leven mag daar nooit meer klinken. En de Tempel van de HEER van de hemelse machten mag daar nooit meer verrijzen. Niets in Jeruzalem mag nog herinneren aan de Allerhoogste.

Daarom mogen Zijn getuigen ook geen rustplaats krijgen – het zou eens een bedevaartsoord kunnen worden. Hun getuigenis moet volledig worden uitgewist, zodat Satan ongestoord “op de toppen van de Safon” kan zetelen (Jesaja 14:13) en opdat vreemde mogendheden bij toerbeurt de stad kunnen bezetten.

Zo hoopt Satan de weg af te snijden voor het Joodse volk om ooit nog terug te keren naar Sion. Dan zal er voor Jeshua geen volk zijn om voor altijd Koning over te zijn (Ezechiël 37:22; Micha 4:7; Lucas 1:33).

Gedurende de door God vastgestelde tijd geldt het volk van Jacob als dood (Hosea 6:2). Niet alleen voor de wereld, maar ook voor het volk zelf, dat klaagt dat haar levensdraad is afgesneden (Ezechiël 37:11).

Maar níet voor God!

Ezechiël 37:12-14 (nbv/ev) – Ik laat jullie uit je graven komen (…) Ik zal jullie Mijn levensadem geven zodat jullie weer tot leven komen, Ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat Ik de HEER ben.

Ook Jeshua en Zijn boodschap van verlossing zijn als dood voor de wereld. De duivel, vermomd als een engel des lichts (2 Korintiërs 11:14), heeft met zijn humanistische denkbeelden de wereld misleid en bezit genomen van de mensen. Voor de wereld lijkt hij met zijn engelen voor altijd te heersen (Johannes 17:15; Openbaring 12:9).

Maar níet voor God!

Openbaring 11:15 Toen blies de zevende engel op zijn bazuin. In de hemel klonken luide stemmen, die zeiden: ‘Nu begint de heerschappij van onze Heer over de wereld, en die van Zijn Messías. Hij zal heersen tot in eeuwigheid.’

Wanneer de door God vastgestelde tijd erop zit, zullen de vijanden van de twee getuigen plotseling overvallen worden door een grote vrees, als ze met eigen ogen zien dat God Zijn getuigen weer tot leven wekt en hen op hun voeten zet.

En zó geschiedde het.

Dodelijke angst overviel de soldaten, de hogepriesters en oudsten, toen Jeshua opstond uit de dood en volbracht waarvoor de Vader Hem naar de wereld had gezonden.

En dodelijke angst overviel Israëls haters, toen het Joodse volk opstond uit het graf van Auschwitz (Ezechiël 37:12), op 14 mei 1948 haar onafhankelijkheid proclameerde in het land van haar voorouders (Jesaja 66:7) en de islamitische agressors versloeg die haar wederopstanding probeerden tegen te houden.

Jeshua’s opstanding en Israëls wedergeboorte zijn het voorspel op wat er komen gaat, wanneer de Mensenzoon zal verschijnen op de wolken des hemels, bekleed met macht en grote luister. Als Hij, onder luid sjofargeschal, Zijn engelen zal uitzenden om Zijn uitverkorenen te halen. Als een bruid en bruidegom zullen ze elkaar tegemoet gaan, zullen ze zich hecht aan elkaar verbinden en voor altijd één zijn (Hosea 2:21; Mattheüs 24:30-31; Johannes 17:21; 1 Thessalonicenzen 4:16-17).

Als alle stammen, volken en naties op aarde dát zien gebeuren, zullen zich van ontzetting op de borst slaan. Het zal hen met doodsangst vervullen voor de Ontzagwekkende, de God van Israël.

Micha 7:17Ze zullen stof likken als een slang, als dieren die kronkelen over de grond. Sidderend zullen ze uit hun burchten komen, vol ontzag voor de HEER, onze God. Ze zullen u vrezen!

Is het niet een enorm voorrecht om als wachters van God te mogen getuigen? In de morgen van Zijn liefde, in de middag van Zijn geduchte daden en in de avond van Zijn trouw (Psalm 92:3, 145:6; Marcus 13:9)?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>