Ik was erbij

Ik was erbij

Weblog van Bas van Twist, november 2017

De discipelen hadden heel de maaltijd al het gevoel dat er iets stond te gebeuren. Dat begon al aan het begin, toen Jeshua hen vertelde dat Hij er hevig naar had verlangd dit pesachmaal met hen te eten (Lucas 22:15). Die opmerking gaf hun een onbestemd en onrustig gevoel, alsof dit Jeshua’s laatste pesachmaal met hen was.

En dan was er tijdens de maaltijd nog dat bijzondere voorval, waarbij hun Meester hun de voeten ging wassen. Veel van wat Hij tijdens de maaltijd vertelde begrepen ze niet. Hoe zou één van hen Hem ooit kunnen verraden? Het maakte hen verdrietig om hun Meester zo te horen spreken. En waar ging Hij naartoe dat ze Hem niet zouden kunnen vinden? Wat bedoelde Hij toen Hij zei: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij? En zou de Geest, die Hij hun beloofde, hen werkelijk alles leren wat Hij hen heeft verteld?

Ineens sprak Hij niet meer in beelden, maar vertelde Hij onomwonden dat Hij bij de Vader vandaan naar de wereld was gekomen, en nu op het punt stond om de wereld weer te verlaten om terug te keren naar de Vader. Ze geloofden wat Hij zei, maar konden het niet bevatten.

En nu waren ze getuigen van Zijn gebed tot de Vader. Nooit eerder hadden ze Hem zo intiem horen spreken met de Vader. Hij sprak alsof Hij alles al volbracht had, dat Hij op aarde de grootheid van de Vader had getoond door het werk te volbrengen dat Hij van de Vader opgedragen had gekregen.

Voordat de wereld bestond

Dankzij Johannes zijn ook wij een beetje getuigen van wat Jeshua Zijn leerlingen allemaal verteld heeft tijdens het pesachmaal (zie Johannes 13 t/m 17). Het is vooral ontroerend om te lezen wat Jeshua met de Vader besprak. Terwijl Hij de lijdensweg nog moet afleggen, vraagt Hij de Vader om weer in Zijn aanwezigheid te mogen zijn.

Johannes 17:5 – Vader, verhef Mij nu tot Uw majesteit, tot de grootheid die Ik bij U had voordat de wereld bestond.

Pas onlangs viel het mij op dat Jeshua aan de Vader vraagt om Hem te verheffen tot de grootheid die Hij bij de Vader had “voordat de wereld bestond”. Waarom tot de grootheid van toen de wereld nog niet bestond? Waarom niet de grootheid die Hij had voordat Hij als mens naar de wereld kwam? Toen was Hij toch ook bij de Vader? Ik ben ervan overtuigd dat Jeshua de Vader deze vraag heel bewust zo heeft gesteld. En betekent dat dan, dat de grootheid die Hij had voordat Hij als mens naar de wereld kwam, anders was dan de grootheid die Hij had voordat de wereld bestond? Laten we eens kijken of de Bijbel ons daarvoor misschien een verklaring kan geven.

Dat de Zoon al bij de Vader was voordat de wereld bestond, kunnen we meerdere keren lezen in de Bijbel. Het volgt al uit de eerste woorden. In Genesis 1:1 lezen we: “In het begin schiep God de hemel en de aarde.” Maar in plaats van “in het begin” (ברשית, be-re-sjiet) kunnen we hier ook lezen: “Met de eerste(ling) schiep God de hemel en de aarde.” En legt Paulus niet uit dat de Zoon de “Oorsprong is (…) om in alles de eerste te zijn” (Kolossenzen 1:18)?

Toen God zei: “Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis” (Genesis 1:26), zou Hij toen niet het beeld voor ogen hebben gehad van de eniggeboren Zoon, het beeld van de onzichtbare God” (Kolossenzen 1:15, NBG)?

God schiep de wereld door Zijn Woord (Psalm 33:9). We lezen steeds: “God zei (…) en zo gebeurde het.” En van Johannes weten we dat het Woord mens is geworden, dat het gekomen is in Gods eniggeboren Zoon.

Johannes 1:1-14 – In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat (…) Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben Zijn grootheid gezien, de grootheid van de eniggeboren Zoon van de Vader.

Ook in Spreuken lezen we dat de Zoon bij de Vader was voordat de wereld bestond. Op schitterende wijze verhaalt Wijsheid – een metafoor van de Zoon – daar over Gods scheppingswerk.

Spreuken 8:22-31 (EV/NBV) De HEER heeft Mij vóór al het andere verworven, toen Hij Zijn scheppingswerk begon, wees Hij eerst Mij aan. Ik ben in het begin voortgebracht, nog vóór alles er was, nog vóór de aarde vorm kreeg. Toen er nog geen oceanen waren, werd Ik voortgebracht, nog vóór de bronnen met hun waterstromen. Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd Ik voortgebracht, nog vóór er heuvels waren. De aarde en de velden had de HEER nog niet geschapen, geen korrel zand was nog gemaakt. Ik was erbij toen Hij de hemel zijn plaats gaf en een cirkel om het water trok, de wolken aan de hemelkoepel plaatste, de oceanen bruisend op liet wellen, toen Hij aan de zeeën grenzen stelde, het water met Zijn Woord zijn plaats gaf, de fundamenten van de aarde legde. Ik was Zijn lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw. Ik was altijd verheugd in Zijn aanwezigheid, vond vreugde in Zijn hele aarde en was blij met alle mensen.

Paulus moet hieraan gedacht hebben, toen hij zijn brief aan de Kolossenzen begon, en hij de Zoon de eerstgeborene van heel de schepping noemde en betuigde dat alles in Hem, door Hem en voor Hem is geschapen.

Kolossenzen 1:15-17 – Beeld van God, de onzichtbare, is Hij, eerstgeborene van heel de schepping: in Hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde (…), alles is door Hem en voor Hem geschapen. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.

Vóór de schepping was de Zoon dus bij de Vader en was Hij Zijn lieveling. Elke dag opnieuw gaf Hij de Vader grote vreugde en was Hij verheugd in Zijn aanwezigheid. Toen God op de zesde dag Zijn scheppingswerk voltooid had, gaf Hij alles wat Hij gemaakt had aan de Zoon, voor wie Hij alles ook gemaakt had (Hebreeën 1:2).

De harmonie verstoord

Maar al snel werd de mens ongehoorzaam, keerde hij zich af van zijn Schepper, ging hij zijn eigen weg, een weg die tot de dood leidde (Genesis 3:19; Romeinen 5:12). God wilde echter niet dat de mens zijn ondergang bewerkte met zijn zondige gedrag. Daarvoor had Hij de mens niet geschapen. God wilde dat de mens een leven leidde in harmonie met zijn Schepper en zijn medeschepselen, opdat hij zou leven en er over hem vreugde zou zijn in de hemel (Ezechiël 33:11; Lucas 15:10). Daarom wilde God dat alle mensen zouden worden gered (1 Timotheüs 2:4; 2 Petrus 3:9).

Maar hoe zou de mens gered kunnen worden, weer verzoend kunnen worden met zijn Schepper? De door God geschapen mens was daar zelf niet toe in staat, want de mens bleef elke dag opnieuw zondigen (Genesis 8:21; Romeinen 3:12).

Er was maar één mogelijkheid om de mens van de dood te redden en weer met zijn Schepper te verzoenen: de Zoon, voor wie God de wereld had gemaakt, moest afdalen en mens worden om de verloren mens te redden, om hem weer met zijn Schepper te verzoenen (Hebreeën 2:10-17). In en door en voor de Zoon zou de mens opnieuw geschapen worden, opnieuw geboren worden om eeuwig te leven met zijn Schepper (2 Korintiërs 5:17-18; Johannes 3:3).

Gods reddingsplan moest nu aan de mens bekend gemaakt worden. Daarvoor zou God een volk formeren. Uit dat volk zou Hij Jeshua (ישוע), wat redder of redding betekent, voortbrengen, Zijn eniggeboren Zoon. En daarom riep God Abraham en zei tegen hem:

Genesis 12:1-3 (NBV/HSV) – Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen. (…) Ik zal je tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal Ik vervloeken, en in jou zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. 

En God sloot met Abraham, zijn zoon Izaäk en zijn kleinzoon Jacob – die Hij Israël noemde – een altoosdurend verbond en God wees hun het onvervreemdbare recht toe op het land Kanaän (Genesis 17:9, 17:21, 28:13; Leviticus 25:38, 26:42; 1 Kronieken 16:18). Israël zou voorgoed Zijn kostbaar bezit zijn en Zijn dienaar in wie Hij Zijn luister zou tonen aan de wereld (Deuteronomium 14:2; Jesaja 49:3). En zo gebeurde het: uit Israël werd de Redder der wereld geboren, Gods eigen Zoon (Jesaja 49:6)

Gods wil geopenbaard

In het Oude Testament wordt voortdurend verwezen naar Gods heilsplan dat Hij zal verwezenlijken door Zijn Zoon. Eerst nog op een bedekte manier (Genesis 3:15, 14:18-20, 15:17-18), maar vanaf Mozes en vooral de profeten wordt zonder omhaal over Gods reddingsplan gesproken (Psalm 2:6-12, 22:23-26, 110:1-4; Jesaja 7:14, 9:5-6, 42:1-7, 52:13-15, 53:1-12, 61:1-2; Daniël 7:13-14; Micha 5:1; Zacharia 9:9 en nog heel veel andere plaatsen). Verschillende van deze teksten zal Jeshua genoemd hebben in het gesprek met Kleopas en zijn vriend, toen ze op weg waren naar Emmaüs (Lucas 24:25-27).

Voor korte tijd zou de Zoon de plaats aan de rechterhand van de Vader moeten verlaten om mens te worden, om het werk te volbrengen dat de Vader Hem had opgedragen (Hebreeën 2:9). De Zoon zou daardoor veel moeten lijden en door een onrechtvaardig vonnis zou Hij worden gedood. Maar juist omdat dat was om de zonden van Zijn volk en die van de hele wereld te vergelden, toonde de Zoon op aarde de liefdevolle grootheid van de Vader (Jesaja 53:1-12; Johannes 3:15-17). Na zijn lijden en sterven zou Hij weer plaats mogen nemen aan de rechterhand van de Vader (Psalm 110:1).

Lucas 24:26 – Moest de Messias al dat lijden niet ondergaan om Zijn glorie binnen te gaan?

De beker van Gods toorn

Nu even terug naar onze vraag. We zagen dat de Zoon al vóór de schepping bij de Vader was, dat Hij Zijn lieveling was. De Vader genoot elke dag weer van de Zoon, die altijd in Zijn aanwezigheid was, vol van liefde voor de Vader. Maar door de misstap van de mens kwam daarin verandering. Omwille van Gods reddingsplan voor de wereld zou de Zoon een mensenleven lang niet in de aanwezigheid van de Vader kunnen verkeren, maar zou Hij als mens veel moeten lijden en moeten sterven en zou de Vader Hem zelfs voor een ogenblik verlaten (Psalm 2:7-8; Jesaja 53:1-12; Marcus 15:34). Zou dát niet de reden zijn dat Jeshua aan de Vader vraagt om Hem te verheffen tot de grootheid die Hij bij Hem had “voordat de wereld bestond”? Want toen er nog geen wereld was, waren er ook nog geen mensen, was er ook nog geen zonde en geen schuld waarvoor Hij de hemel moest verlaten.

Toen Jeshua de leerlingen zei dat Hij er hevig naar verlangde dit pesachmaal met hen te eten, zei Hij dat, omdat Hij wist dat de tijd van Zijn lijden en sterven over enkele uren zou aanbreken en Hij het werk zou volbrengen, dat de Vader Hem had opgedragen. Spoedig daarna zou Hij weer mogen zitten aan de rechterhand van de Vader, zou Hij verheven worden in de grootheid die Hij bij de Vader had voordat de wereld bestond. Hij had dan immers alles volbracht, wat de Vader Hem had opgedragen. Hij zou de Vader nooit meer hoeven te smeken: “Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan Mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals U het wilt.” (Mattheus 26:39).

2 reacties op “Ik was erbij”

  1. Dineke zegt:

    Wat prachtig en helder! Dus Jeshua werd al vernederd toen de mens zondigde. Vaak hoor je dat hij vanaf zijn geboorte vernederd werd. Wat een rijke tekst. Want wij en onze voorouders zagen hem niet aan voor Wie Hij was. Zou u ook een stukje kunnen schrijven over hoe dat zou zijn dat de Vader Hem verhoogd tot de grootheid die Hij bij Hem had voordat de wereld bestond. Ik vraag me nu af wat daarover in de Bijbel staat. (Misschien Openbaringen?) Was het plan al dat wij de bruid zouden worden voordat we zondigden?

  2. Derk zegt:

    Bas, ik lees in dit artikel woorden die ik ook hoorde bij EH Rotterdam. Klopt dat?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>