Psalm-110

Psalm 110

Psalm 110 Van David, een psalm. De HEER spreekt tot mijn Heer: Neem plaats aan Mijn rechterhand, Ik maak van Je vijanden een bank voor Je voeten.’ Uit Sion reikt de HEER U de scepter van de macht, U zult heersen over Uw vijanden. Uw volk staat klaar op de dag dat U ten strijde trekt. Op de heilige bergen, uit de schoot van de dageraad, komt tot U de dauw van Uw jeugd. De HEER heeft gezworen, en komt op Zijn eed niet terug: ‘Je bent priester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek was.’ De Heer aan Uw rechterhand verplettert koningen op de dag van Zijn toorn. Hij berecht de volken, verplettert hoofden, overal op aarde, lijken stapelen zich op. Hij drinkt onderweg uit de beek en dan heft Hij Zijn hoofd.

Tijdens één van Zijn gesprekken met de Farizeeën, vraagt Jeshua hun: Wat denkt u over de Messias? Van wie is Hij een zoon?” (Matthëus 22:43-45). “Van David“, antwoordden de Farizeeën. “Maar als Hij een zoon is van David, hoe kan David Hem dan, geïnspireerd door de Geest, Heer noemen?” Daar hebben de Farizeeën zo snel geen antwoord op, want David erkent hier dat de Messias Iemand is die meer gezag heeft dan hij, dat Hij zijn meerdere is. Maar hoe zou dat kunnen als Hij zijn zoon is?

In dit gesprek dwingt Jeshua de Farizeeën om hun beeld van de Messias bij te stellen. En dan vooral de aard van Zijn koningschap. Zijn macht en soevereiniteit gaan die van David verre te boven, ze zijn van een andere, een hemelse orde.

Deze psalm, die dagelijks klinkt vanaf de hoge muren van Jeruzalem, refereert aan de tijd waarin wij nú leven en waarnaar we uitzien! Laten we daarom deze korte, krachtige en vooral profetische psalm, eens wat nader bekijken.

Psalm 110:1Van David, een psalm. De HEER spreekt tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan Mijn rechterhand, Ik maak van Je vijanden een bank voor Je voeten.’

David profeteert hier dat één van zijn opvolgers niet alleen zal plaatsnemen op zijn troon in Jeruzalem, maar ook zal mogen zitten op de meest eervolle plaats die er bestaat: aan de rechterhand van God. Ook bij monde van Jeremia zegt God over Hem: Ik zal Hem toestaan Mij te naderen” (Jeremia 30:20-21). En Daniël ziet in een nachtelijk visioen dat Hem alle macht, eer en eeuwige heerschappij wordt gegeven en dat alle volken en naties, welke taal zij ook spreken, Hem zullen dienen en dat Zijn koningschap nooit te gronde zal gaan (Daniël 7:13-14).

En het is wederom David, die de Vader tegen Hem hoort zeggen: Jij bent Mijn zoon, Ik heb Je vandaag verwekt. Vraag het Mij en Ik geef Je de volken in bezit, de einden der aarde in eigendom” (Psalm 2:7-8). De engel Gabriël bevestigt deze woorden van David, wanneer hij aan Mirjam (Maria) de boodschap komt brengen dat zij zwanger zal worden en een zoon zal baren, die Zoon van de Allerhoogste genoemd zal worden (Lucas 1:32; Romeinen 1:4). Ze moet Hem Jeshua (ישוע) noemen, wat in het Hebreeuws redding of redder betekent. Hem, zo zegt Paulus later, heeft de Vader verheven hoog boven alle hemelse vorsten en heersers, alle machten en krachten en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomstige (Efeziërs 1:21). Hij is de Messias, waarvan David profeteert in Psalm 110.

In het eerste vers van deze psalm voorziet David wat er een millennium later wordt vervuld, als Jeshua, na Zijn opstanding uit de dood, in de hemel wordt opgenomen en plaats mag nemen aan de rechterhand van de Vader (Marcus 16:19), waar Hij verheerlijkt wordt met de glorie die Hij had bij de Vader vóór de wereld bestond (Johannes 17:5).

Psalm 110:2Uit Sion reikt de HEER U de scepter van de macht, U zult heersen over Uw vijanden.

Aan de rechterhand van de Vader wacht de Zoon op het moment dat Zijn vijanden voor Hem tot een bank voor Zijn voeten zijn gemaakt (Hebreeën 10:13). Het is dus de Vader die bepaald wanneer het moment daar is, dat de Zoon terug zal komen. Dan niet meer als een hulpeloos mensenkindje, maar als de Mensenzoon bekleed met macht en grote luister (Mattheüs 24:36). En als Hij terug is in Jeruzalem, zal de Vader Hem de scepter van de macht aanreiken. Dan zal voor iedereen zichtbaar worden wat het betekent dat Hem alle macht gegeven is in de hemel en op de aarde (Jesaja 66:14; Mattheüs 28:18).

Psalm 110:3Uw volk staat klaar op de dag dat U ten strijde trekt. Op de heilige bergen, uit de schoot van de dageraad, komt tot U de dauw van Uw jeugd.

Op de dag dat Jeshua in macht en grote luister verschijnt, zullen de Israëlische strijdkrachten (Tseva Hagana Lejisraël) klaarstaan om aan Zijn zijde mee te vechten, zoals Hij klaarstond om aan hun zijde mee te vechten in 1948, in 1967 en in al die andere oorlogen die volgden.

Ja, zoals de dauw zich ‘s morgen aanbiedt bij het ochtendgloren, zo biedt een wedergeboren Israël zich dan aan bij zijn Messias. De Naardense Bijbel vertaalt het heel mooi: uit de schoot van het morgenrood komt tot jou de dauw van je nieuwgeborenen!

Gods dauw blijkt een levenwekkende dauw te zijn (Jesaja 26:19, GNB). Niet alleen voor het volk, maar ook voor het land (Hosea 14:6).

Psalm 110:4De HEER heeft gezworen, en komt op Zijn eed niet terug: ‘Je bent priester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek was.’

David profeteert dat de Messias niet alleen voor eeuwig zal heersen over Zijn vijanden, maar ook dat Hij voor eeuwig priester zal zijn. Zijn priesterschap heeft dus geen begin en geen einde.

Wie is Melchisedek? We lezen over hem als Abraham zijn neef Lot uit de handen van de koning van Elam heeft bevrijd. Abraham heeft bij die bevrijding een rijke buit gemaakt. Daarbij zitten ook bezittingen van de koning van Sodom, die de koning van Elam op hem had veroverd. In de Koningsvallei treffen de mannen elkaar om de verdeling van de buit te bespreken. Maar net voor de koning van Sodom Abraham verzoekt om hem zijn mensen terug te geven, is daar ineens dat wonderlijke intermezzo, waarin Melchisedek, de koning van Salem (vrede), brood en wijn laat brengen. De Bijbel vermeldt dat hij een priester van God, de Allerhoogste, is. Hij zegent Abraham en Abraham geeft hem een tiende van de buit (Genesis 14:18-20).

Hoewel in Israël het priesterschap en het koningschap in principe gescheiden ambten waren, die elk een ander aspect van de Messias uitbeeldde, verwijst David naar Melchisedek, de priester-koning, omdat hij begrijpt dat de Messias niet alleen koning, maar ook priester zal zijn. Als koning zal Hij Jacobs volk weiden, maar als priester zal Hij het volk met God verzoenen.

Veelzeggend laat Melchisedek Abraham brood en wijn brengen, de tekenen waarmee Jeshua Zijn discipelen duidelijk maakt welke weg Hij (als priester-koning) moet gaan om die verzoening tot stand te brengen (Mattheus 26:26-29). En uit het feit dat Abraham hem de tienden geeft, zou je mogen afleiden dat Abraham begreep dat het priesterschap van Melchisedek van een hemelse orde is (Hebreeën 7:3-8).

Het is duidelijk dat Melchisedek, wiens naam Koning der Gerechtigheid betekent, een voorafbeelding is van Jeshua.

Psalm 110:5-6De Heer aan Uw rechterhand verplettert koningen op de dag van Zijn toorn. Hij berecht de volken, verplettert hoofden, overal op aarde, lijken stapelen zich op.

Er staan veel teksten in de Bijbel die beschrijven hoe het eraan toegaat bij de eindstrijd, hoe rigoureus de Messias afrekent met Zijn vijanden en de tegenstanders van Zijn volk. Hij zal ieder naar zijn daden vergelden: woede voor Zijn vijanden, wraak voor Zijn tegenstanders (Jesaja 59:18, 66:6). En niet alleen David – zelf ook niet kinderachtig als het om vergelding gaat (2 Samuël 12:31) – beschrijft in beeldende taal hoe het er straks aan toegaat bij de eindstrijd, ook de profeten doen dat onverbloemd. Zo profeteert Jesaja over de Messias, wanneer Hij terugkijkt op die laatste veldslag: Ik trad hen in Mijn woede, vertrapte hen in Mijn toorn. Hun bloed bespatte Mijn kleren, al Mijn kleren werden besmeurd (…) Ik heb de volken in Mijn woede vertrapt, met Mijn toorn heb Ik hen dronken gevoerd. Hun bloed liet Ik op aarde neervloeien (Jesaja 63:1-6).

Ik weet het, het klinkt bepaald niet politiek en religieus correct. En de meeste gelovigen slaan deze teksten dan ook steevast over; ze willen ze niet horen. Ze passen namelijk niet in het beeld dat zij van God hebben gemaakt. Maar ook dit zijn Gods woorden, die Hij bij monde van Zijn profeten heeft gegeven en die op Zijn tijd in vervulling zullen gaan, tot in detail.

Het tekent overigens wel hoe ver de moderne, westerse mens, ook de gelovige, afstaat van Gods begrip van recht en gerechtigheid. In de Bijbel lezen we dat de rechtvaardige verheugd is als hij vergelding ziet. Voor hem is dit namelijk een bewijs dat God recht doet op aarde (Psalm 58:11-12).

De Statenvertaling geeft trouwens, net als The Companion Bible, een wat andere vertaling van vers 6 dan de NBV en de meeste andere vertalingen. Daar staat: Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan degene, die het hoofd is over een groot land. Niet de hoofden, de leiders, van de volken worden hier verpletterd, maar het hoofd van een groot land wordt hier verslagen. En zou dat hier ook niet bedoeld worden?

Ik neig ertoe de Statenvertaling te volgen. In Ezechiël lezen we namelijk over Gog, de machtige koning van Mesech en Tubal, die bevel krijgt om met zijn vele bondgenoten op te trekken tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël, die lange tijd verlaten zijn geweest (Ezechiël 38:8). Deze Gog is de aardse manifestatie van Satan in de eindstrijd. Met zijn legers en vele bondgenoten zal hij optrekken om Israël aan te vallen en Jeruzalem in te nemen. Maar hun wacht de vernietiging, want de HEER heeft hen voor de slacht bestemd (Jesaja 34:2; Ezechiël 38:18-22; Joël 4:9-16).

Tegelijkertijd lezen we, in schril contrast daarmee, dat de HEER een toevlucht is voor Zijn volk, dat Hij Israël bescherming biedt (Joël 4:16).

Dat het een enorm slagveld is, waar de lijken zich opstapelen, moet heel letterlijk genomen worden. Ezechiël voorzegt namelijk dat de Israëlieten, nadat de vijand verpletterd is verslagen, zeven maanden lang bezig zijn met het begraven van hun gesneuvelde vijanden (Ezechiël 39:12).

Psalm 110:7Hij drinkt onderweg uit de beek en dan heft Hij Zijn hoofd.

David schetst in de laatste drie verzen van Psalm 110 een beeld van de Messias, die doet denken aan een heldhaftig soldaat, die zijn vijanden achterna zit. Onderweg stopt hij even om zich te verkwikken en wat water te drinken. Daarna zet hij de achtervolging voort, zonder verder oponthoud, om al zijn vijanden tot de laatste man neer te slaan.

In de Bijbel is water vaak een metafoor van de heilige Geest (Johannes 4:14, 7:37-39). Zo lezen we dat, voordat Jeshua in staat is om de confrontatie met de duivel aan te gaan, Hij eerst vervuld wordt met de heilige Geest, met (figuurlijk) levend water (Lucas 4:1-2). Het is niet toevallig dat die ontmoeting plaatsvindt in de woestijn, waar (letterlijk) levend water zeer schaars is. Daar staat Jeshua tegenover de duivel, die Hem op de proef stelt. Maar Jeshua doorstaat alle beproevingen met glans. En nadat Hij Satan, na diens laatste poging Hem tegen de Vader op te zetten, heeft weggestuurd, wordt Hij opnieuw gesterkt door de Geest en keert Hij terug naar de mensen om te doen waarvoor Hij op aarde is gekomen (Lucas 4:14): om aan armen het goede nieuws te brengen, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen (Lucas 4:18-19).

Jeshua leefde bij Zijn eerste komst op aarde vanuit de kracht, de inspiratie en de leiding van de heilige Geest. Hij dronk uit de Bron van levend water (Jeremia 17:13). David profeteert dat Jeshua bij Zijn wederkomst opnieuw levend water drinkt om gesterkt te worden en om definitief af te rekenen met Zijn vijanden en de tegenstanders van Zijn volk. En wanneer Jeshua daarmee definitief heeft afgerekend, zal Hij plaatsnemen op Zijn troon in Jeruzalem, ter bevestiging dat Zijn hemels, duizendjarig koninkrijk is gegrondvest.

Zacharia 14:8-9 – Als die tijd aanbreekt, zal er in Jeruzalem zuiver water ontspringen: de ene helft zal in het oosten in zee uitmonden en de andere helft in het westen, zowel in de zomer als in de winter. En de HEER zal koning worden over de hele aarde. Dan zal de HEER de enige God zijn en Zijn naam de enige naam.

Bas van Twist, augustus 2017

Een reactie op “Psalm 110”

  1. Conny zegt:

    Mooi! Bemoedigend!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>