Jeshua en de zonen van de Allerhoogste

Weblog van Bas van Twist, oktober 2016

Genetische manipulatieGenetische manipulatie
In Genesis 6 lezen we over een fatale ontwikkeling in de wereldgeschiedenis. Als de mensen zich op de aardbodem beginnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen worden geboren, kiezen Gods zonen, בני האלהים (beni ha-elohim), de mooiste meisjes uit en verwekken bij hen kinderen. Maar het zijn geen gewone mensenkinderen die worden geboren. Als de kinderen opgroeien blijken het reusachtige en boosaardige wezens te zijn. Met hun gestalte steken ze zelfs boven de hoogste bomen uit. In de hoofdstukken 6 t/m 10 van het Boek van Henoch – aan welk boek de apostel Judas refereert (Judas 1:14-15) – wordt uitgebreid geschreven over deze giganten, hoe ze omgingen met de mensen en de dieren en hoe God de aarde daarvoor strafte.

Boek van Henoch 7:10-15 En zij namen zich vrouwen, en ieder koos er één voor zich uit, en zij hadden gemeenschap met hen en vermengden zich met hen, en leerden hen tovermiddelen en bezweringen, en maakten hen bekend met het snijden van wortelen en planten. Zij werden echter zwanger en baarden reuzen, wier lengte 300 el was. Deze verbruikten de gehele opbrengst van de mensen, totdat de mensen zich niet meer konden voeden. Toen vergrepen de reuzen zich aan de mensen en aten hen op. En zij begonnen zich te bezondigen aan de vogels en de dieren en de reptielen, en aan de vissen, en verslonden het vlees van elkander en dronken het bloed. Toen klaagde de aarde over de onrechtvaardigen.

Als God ziet dat alles wat de mensen uitdenken steeds even slecht is, voelt Hij zich diep gekwetst en krijgt Hij er spijt van dat Hij de mensen heeft gemaakt. God besluit de aarde schoon te spoelen en met Noach en zijn familie een nieuwe start te maken. Het is de enige manier om het sabotageplan van Satan ongedaan te maken. Want het was uiteraard Satan die de zonen van God ertoe had verleid de mooiste meisjes van de mensen tot vrouw te nemen en bij hen kinderen te verwekken. Op een vergelijkbare manier had Satan ook Eva verleid om van die smakelijke vruchten te nemen en kennis te verkrijgen van goed en kwaad. Satan was niet vergeten wat God toen tegen hem had gezegd, namelijk dat Hij vijandschap zou stichten tussen zijn nageslacht en dat van de vrouw en dat Iemand uit het nageslacht van de vrouw zijn kop zou verbrijzelen. Het nageslacht van de vrouw zou hem dus vriendelijk gezind moeten worden, anders zou het hem de kop kosten. En hoe kon hij dat beter bereiken dan door het nageslacht van de vrouw te vermengen met de zonen van God die afvallig waren geworden en zijn kant hadden gekozen. Via deze genetische manipulatie meende Satan Gods heilsplan voor de wereld te kunnen saboteren, want God zou Zijn liefste Zoon immers nooit kunnen verwekken en geboren laten worden uit een demonisch geslacht (Psalm 2:7; 1 Petrus 3:18-20). De zonen van God – die destijds verheugd waren toen God de aarde grondvestte (Job 38:4-7) – zijn zodoende mede schuldig aan het vergaan van de toenmalige wereld, toen deze door het water van de zondvloed werd overspoeld (2 Petrus 3:6).

Elohim
Gods zonen worden in het Oude Testament een aantal keer aangeduid met אלהים (elohim) (Genesis 6:2; Job 1:6; Psalm 29:1 en Psalm 82:1, 6). In de Hebreeuwse Bijbel kom je elohim meer dan tweeduizend keer tegen. Elohim is het meervoud van eloah, dat machtige betekent. In de meeste gevallen wordt elohim gebruikt voor God, de HEER. Naast God en de zonen van God worden soms ook heidense goden en engelen elohim genoemd (Deuteronomium 6:14, 10:17; Jeremia 5:19; Psalm 8:6). En wanneer in de psalmen op de Messias wordt gewezen, wordt voor Hem ook elohim gebruikt (Psalm 45:7-8, 82:8).

Hoewel elohim een meervoudsvorm is, wordt het dus in veruit de meeste gevallen gebruikt voor God, de HEER (zie Strong H430). Je kunt het enigszins vergelijken met ons pluralis majestatis. In artikel XIX van de Grondwet is bijvoorbeeld bepaald dat (sinds 30 april 2013) een wet wordt afgekondigd met de woorden: Wij, Willem-Alexander, (…) doen te weten (…).

Elohim bestaan dus uit verschillende klassen, die beslist niet met elkaar verward moeten worden, want engelen zijn geen zonen van God (Hebreeën 1:5) en de zonen van God zijn niet gelijk aan dé Zoon van God. Van al Gods zonen is er altijd één Zoon geweest die een unieke plek heeft gehad bij de Vader. Op ontroerende wijze wordt dat duidelijk uit Spreuken 8:22-36, waarin Wijsheid – een metafoor van de eniggeboren Zoon van God – over Zichzelf zegt:

Spreuken 8:22-36De HEER heeft Mij vóór al het andere verworven; toen Hij Zijn scheppingswerk begon, schiep Hij eerst Mij. Van eeuwigheid af ben Ik gezalfd geweest, vanaf het begin, vanaf de tijden voordat de aarde er was. (…) Ik was erbij toen Hij de hemel zijn plaats gaf en een cirkel om het water trok, de wolken aan de hemelkoepel plaatste, de oceanen bruisend op liet wellen, toen Hij aan de zeeën grenzen stelde, het water met Zijn woord zijn plaats gaf, de fundamenten van de aarde legde. Ik was Zijn lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw. Ik was altijd verheugd in Zijn aanwezigheid, vond vreugde in Zijn hele aarde en was blij met alle mensen.

De volken en hun goden
Steeds meer taalkundigen zijn het er, zeker na de vondst van de Dode Zee-rollen, over eens dat God de volken niet heeft gescheiden naar het aantal nazaten van Israël, maar naar het aantal zonen van God (Deuteronomium 32:8-9). Dat lijkt zeer aannemelijk, want wanneer het om het aantal zonen van Jacob zou gaan, dan zou het om twaalf volken gaan, terwijl Genesis 10 leert dat uit de zonen van Noach zeventig volkeren zijn voortgekomen.

De zonen van God zijn de goden van de volken. In de oudheid werden zij door de volken aanbeden. De verering van de goden ging gepaard met rituelen en magie. Over deze elohim gaat het in de vele mythen, waaraan verschillende goede en kwade eigenschappen worden toegedicht. In de zon, de maan en de sterren zagen de volken de belichaming van een aantal van hun goden en daarom werden deze hemellichamen als goden vereerd.
Israël is het eenenzeventigste volk, dat door God is geschapen, gemaakt en gevormd omwille van Zijn majesteit (Jesaja 43:7). Israël is het volk dat aan de HEER, zijn God, is gewijd. Het volk van Jacob is door Hem uitgekozen om, anders dan alle andere volken op aarde, Zijn kostbaar bezit te zijn (Deuteronomium 7:6, 14:2). En daarom mag Israël onder geen beding de zon, de maan en de sterren vereren en geen andere door God geschapen goden dienen. Die goden zijn bedoeld voor de andere volken.
Deuteronomium 4:19-20 En als u omhoog kijkt en de zon, de maan en de sterren ziet, al die lichten aan de hemel, laat u er dan niet toe verleiden daarvoor neer te knielen en te vereren wat de HEER, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd. Want u bent door de HEER uitgekozen en uit de smeltoven van Egypte weggehaald om Hem als Zijn eigen volk toe te behoren, zoals nu het geval is.

Gods zonen als opzieners
Na de zondvloed worden de volken verdeeld in zeventig volken, zo lezen we in Genesis 10, en krijgen de zonen van God met hun engelenmachten daarover het opzienerschap. Zij worden als bemiddelaars aangesteld opdat de schepping niet opnieuw door de zonde vernietigd zal worden. Maar deze elohim, deze zonen van de Allerhoogste, verzaken hun plichten, ontlopen hun verantwoordelijkheden en doen vooral het tegenovergestelde van wat God hen heeft opgedragen. Daarover zingt Asaf.

Psalm 82 – God staat op in de hemelse raad, Hij spreekt recht in de kring van de goden (elohim): ‘Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig en kiest u partij voor wie kwaad doen? Doe recht aan weerlozen en wezen, kom op voor verdrukten en zwakken, bevrijd wie weerloos zijn en arm, red hen uit de greep van wie kwaad wil. U toont geen inzicht, geen begrip, en doolt in duisternis rond, de aarde wankelt op haar grondvesten. Ooit heb Ik gezegd: “U bent goden (elohim), zonen van de Allerhoogste, allemaal.” Toch zult u sterven als mensen, ten val komen als aardse vorsten.’ Verhef U, God (elohim), spreek recht op aarde, alle volken behoren U toe.

In plaats van het op te nemen voor de weerlozen, de weduwen en wezen, de verdrukten en de armen, trekken de goden (elohim), de zonen van de Allerhoogste, partij voor de machthebbers, de onderdrukkers, de leugenaars en de rijken, met als gevolg dat duisternis de aarde bedekt en donkerte de naties (Jesaja 60:2). Gods vonnis over hen is onherroepelijk: ze zullen sterven als mensen, ten val komen als de aardse vorsten die zich aan hen hebben onderworpen (Jesaja 14:3-15, 24:21; Daniël 10:12-21; Efeziërs 6:12; Openbaring 20:1-2).

In het laatste vers van Psalm 82 is elohim vertaald met ‘God’. Maar is het niet juist God Zelf die aan het woord is en elohim oproept de aarde te oordelen (HSV)? Zou met deze elohim daarom niet Gods eniggeboren Zoon bedoeld worden? Dat ligt meer voor de hand, want Hij is het immers aan wie God de volken in bezit geeft en die de volken zal berechten (Psalm 2:8, 110:5-6; Mattheüs 28:18; Openbaring 11:15).

Ondanks Gods oordeel over Zijn afvallige zonen en hun engelenmachten, doen zij nog onverminderd hun invloed gelden op aarde. In Efeziërs 6:12 waarschuwt Paulus dan ook dat onze strijd niet gericht is tegen mensen van vlees en bloed, maar tegen onzichtbare hemelse vorsten, tegen de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen. Met andere woorden: de oorlog in de hemelse gewesten is zichtbaar en voelbaar op aarde. Zelfs in toenemende mate. En daarom waarschuwt Petrus ons op onze hoede te zijn, want de duivel zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi (1 Petrus 5:8).

Jeshua heeft evenwel alle duistere machten overwonnen, hen de nekslag gegeven (Johannes 19:30). Alleen is dat nu nog niet zichtbaar, maar pas wanneer Hij in hemelse heerlijkheid terugkomt. Pas dan zal de strijd, die in de hemelse gewesten gaande is, zichtbaar beslecht worden (Openbaring 5:5, 19:15). Voor de hemelse vorsten betekent dit dat ze zullen sterven als aardse vorsten. God zal de hun toevertrouwde soevereiniteit van hen afnemen en geven aan Zijn eniggeboren Zoon (Daniël 7:13-14; Psalm 2:7-9, 110:1-2). Hem worden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spreken, zullen Hem dienen.

De Zoon die wél Gods wil doet
Van al Gods zonen is er maar één Zoon waarvan God heeft gezegd: Dit is Mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde. Luister naar Hem! (Mattheüs 17:5). Door Hem herstelt God de verstoorde relatie met de mensen. Maar daarvoor moest Zijn Zoon eerst mens worden. Daarmee werd Jeshua de enige Zoon van God die werd geboren (Johannes 1:18, 3:16, 3:18; 1 Johannes 4:9).

Het is het Joodse meisje Mirjam dat de eer krijgt Gods Zoon te baren. Ze wordt zwanger doordat de kracht van de Allerhoogste haar als een schaduw bedekt (Lucas 1:34-35). God Zelf is de verwekker, is de vader van het kind (Psalm 2:7), dat daarmee Gods DNA draagt!

Jeshua, Gods redding
De engel Gabriel vertelt Mirjam dat ze haar zoon ישוע (Jeshua) moet noemen, wat in het Hebreeuws redding of redder betekent. God zal Jeshua de troon van Zijn vader David geven en tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jacob (Lucas 1:31-33). Maar ook voor de gelovigen uit de heidenvolken betekent Jeshua redding: dankzij Hem hebben ook zij toegang tot de Vader en mogen zij medeburgers zijn van het Koninkrijk (Romeinen 11:17; Efeziërs 2:18-20).

Als Simeon het pasgeboren kind ziet, laat de heilige Geest hem weten dat dit kind de langverwachte Messias van Israël is. En als Simeon het kind liefdevol in zijn armen houdt looft hij dan ook God met de woorden: Want met eigen ogen heb ik de redding gezien (Lucas 2:30). Met eigen ogen heeft Simeon Jeshua gezien, de redding van Israël, die God tientallen malen bij monde van Zijn profeten had beloofd. Hieronder enkele van die teksten, waarbij het woord redding is veranderd in Jeshua (ישוע), wat er in het Hebreeuws ook daadwerkelijk staat:

Psalm 13:6 Ik vertrouw op Uw liefde: mijn hart zal juichen omdat U Jeshua brengt.

Psalm 91:16 Ik zal Jeshua zijn.

Jesaja 12:2God, Hij is voor mij Jeshua. Ik heb een vast vertrouwen, ik wankel niet, want de HEER is mijn sterkte, Hij is mijn beschermer, Hij heeft mij Jeshua gebracht.

Jesaja 51:6 Jeshua, die Ik breng, zal voor altijd blijven en Mijn recht zal geen einde hebben.

God is in en door Jeshua de redder van Israël en de redder van alle mensen die in Hem geloven. In Hem en door Hem openbaart God Zich als redder.

Als Jeshua bij Zijn wederkomst zal vervullen wat Hij aan het kruis heeft volbracht, zal blijken dat er niet alleen één God is, maar ook één bemiddelaar tussen God en mensen, namelijk de mens Messias Jeshua (1 Timotheüs 2:5), de eniggeboren Zoon van God, de enige Zoon die wél de wil van de Vader deed en zal doen (Johannes 4:34, 6:38-40).

Tot het moment dat Jeshua, bekleed met macht en grote luister, terugkomt op aarde, zullen de heersers en de machthebbers van de duisternis proberen Gods reddingsplan te saboteren door de mensen op te zetten tegen de HEER en Zijn Gezalfde (Psalm 2:2; Habakuk 3:13; Zacharia 4:14). Ze zullen in toenemende mate tegen het volk van Jacob samenspannen en pogen het uit te roeien, opdat Israëls naam nooit meer zal worden genoemd (Psalm 83:4-5). Maar daar zullen ze niet in slagen, want de goden van de volken zijn voor de Allerhoogste minder dan niets (Psalm 96:5). En dat zal blijken wanneer de Mensenzoon in Zijn majesteit zal zetelen op Zijn troon en de tijd zal aanbreken dat alles vernieuwd zal worden, dat alles zal worden hersteld (Mattheüs 19:28; Handelingen 3:21). Laten we de Vader daarom onophoudelijk herinneren aan Zijn beloften van herstel en Hem aanmoedigen dit alles in deze tijd te volbrengen.

Een reactie op “Jeshua en de zonen van de Allerhoogste”

  1. David zegt:

    Een leerzame Bijbelstudie. Vooral mooi om te lezen hoe Jeshua soms verstopt zit in Gods Woord en hoe wonderlijk Zijn reddingsplan loopt door Zijn Zoon en via Zijn volk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>