Bijzondere ontmoetingen

Bijzondere ontmoetingen

Eens is Mozes de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro aan het weiden. Als hij met de kudde de berg Sinaï nadert, ziet hij een wonderlijk verschijnsel.

Exodus 3:2-6Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep Hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ik luister,’ antwoordde Mozes. ‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Izaak en de God van Jacob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.

Wat opvalt in deze tekst is dat ‘de engel van de HEER’ aan Mozes verschijnt, maar dat het de stem van God is die Mozes zegt dat hij zijn sandalen uit moet trekken. Moest Mozes dat doen uit eerbied voor ‘de engel van de HEER’?

Het bevel dat Mozes krijgt is trouwens precies hetzelfde bevel dat Jozua jaren later krijgt van een man die zichzelf ‘de aanvoerder van het leger van de HEER’ noemt (Jozua 5:13-15 ).

In zijn verdere leven krijgt Mozes nog veel vaker ontmoetingen, waarin God tot hem spreekt. Al de tijd dat het volk door de woestijn trekt, wijst God hen de weg, ‘overdag in een wolkkolom en ‘s nachts in een lichtende vuurzuil’ (Exodus 13:21). En als God Mozes wil spreken, dan gaat Mozes de ontmoetingstent in en daalt de wolkkolom bij de ingang van de tent neer.

Ook op de berg Sinaï heeft Mozes een ontmoeting met God vanuit een wolk.

Exodus 34:5De HEER daalde neer in een wolk, Hij kwam naast Mozes staan en riep de naam HEER uit.

Voor het volk, dat op eerbiedige afstand van de berg staat, is de wolk van Gods majesteit zichtbaar als ‘een laaiend vuur op de top van de berg’ (Exodus 24:17).

Komt de HEER, de Schepper van hemel en aarde, Zelf naast Mozes staan?

Veertig dagen en veertig nachten blijft Mozes daar bij de HEER. Als Mozes voor de tweede keer de berg afdaalt, heeft hij de stenen platen, waarop hij de tekst van het verbond, de tien geboden, heeft geschreven, bij zich. Hij weet niet ‘dat zijn gezicht glanst doordat hij met de HEER heeft gesproken’ (Exodus 34:29; 2 Korintiërs 3:7). Het volk durft niet bij hem in de buurt te komen. Pas als hij hen roept, komen ze aarzelend naderbij en draagt Mozes hen op zich te houden aan alles wat God hem heeft gezegd. Als hij klaar is met het volk toe te spreken, bedekt hij zijn gezicht met een doek.

Exodus 34:34-35Steeds wanneer Mozes voor de HEER verscheen om met Hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten kwam. Als Mozes de Israëlieten dan zei wat hem opgedragen was, zagen zij hoe zijn gezicht glansde. Daarna bedekte hij zijn gezicht met de doek, totdat hij opnieuw met de HEER ging spreken.

Evenals Mozes heeft ook Elia een bijzondere ontmoeting met God op de Sinaï.

1 Koningen 19:11-13 11‘Kom naar buiten,’ zei de HEER, ‘en treed hier op de berg voor Mij aan.’ En daar kwam de HEER voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor de HEER uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar de HEER bevond zich niet in die windvlaag. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar de HEER bevond zich niet in die aardbeving.12 Na de aardbeving was er vuur, maar de HEER bevond zich niet in dat vuur. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries.13 Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot staan, en daar klonk een stem die tot hem sprak: ‘Elia, wat doe je hier?’ 14

Is het werkelijk de HEER van de hemelse machten voor wie Elia verschijnt en met wie Mozes ‘persoonlijk’ spreekt, ‘zoals een mens met een ander mens spreekt’ (Exodus 33:11)? Hoe zou dat kunnen, want God is ‘een verterend vuur’ (Deuteronomium 4:24) en geen mens kan Hem zien en in leven blijven. Als Mozes eens vraagt of hij Gods majesteit mag zien, antwoordt de HEER:

Exodus 33:19-20‘Ik zal in Mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen: Ik schenk genade aan wie Ik genade wil schenken, en Ik ben barmhartig voor wie Ik barmhartig wil zijn. Maar,’ zei Hij, ‘Mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.’

Maar als het niet de HEER van de hemelse machten Zelf kan zijn voor wie Elia verschijnt en met wie Mozes ‘van aangezicht tot aangezicht’ spreekt, wie dan wel?

In het Nieuwe Testament lezen we over een ontmoeting tussen Mozes, Elia en Jezus/Jeshua.

Mattheüs 17:1-3Zes dagen later nam Jeshua Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht. Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jeshua in gesprek waren.

De discipelen krijgen hier iets te zien van de heerlijkheid waarin Jeshua na Zijn opstanding zal ingaan (Psalm 110:1; Marcus 16:19; Hebreeën 1:12-13; 2 Petrus 1:17-18). Ze mogen iets zien van de grootheid die de Vader aan de Zoon heeft gegeven al voordat de wereld gegrondvest werd (Johannes 17:24). En daar zijn Mozes, de vertegenwoordiger van de Wet, en Elia, de vertegenwoordiger van de profeten, bij. Nu al verschijnen zij met Jeshua in hemelse luister, als een voorafschaduwing van het koninkrijk van Vader, waarin we met hen zullen stralen als de zon (Mattheüs 13:43).

De drie mannen staan met elkaar te praten. Ze spreken over het levenseinde dat Jeshua straks in Jeruzalem zal volbrengen. Het lijkt erop dat de mannen elkaar heel goed kennen. Maar zou dat ook niet het geval kunnen zijn? Zou het de Zoon, ‘in Wie Gods luister schittert’, ‘Zijn evenbeeld’ (Hebreeën 1:3), niet geweest kunnen zijn die met hen sprak vanuit de brandende struik, de wolk of de zachte bries?

Dat zou kunnen verklaren waarom Mozes’ gezicht, net als dat van Jeshua, straalde, toen hij na een verblijf van veertig dagen bij de HEER op de Sinaï, terugkwam met de stenen platen. Het zou ook betekenen dat Mozes begreep dat God sprak over Jeshua, toen hij tegen het volk moest zeggen dat er een Profeet zou opstaan, zoals hij, naar wie het volk moest luisteren (Deuteronomium 18:15-19; Handelingen 3:22-23). Wie weet is ‘het lied van Gods dienaar Mozes en het lied van het Lam’ (Openbaring 15:2-5) ook wel ontstaan tijdens één van hun vele ontmoetingen. Het zou ook kunnen verklaren waarom de bode, die het volk gereed moest maken voor de komst van de Messias, vervuld moest zijn ‘met de geest en de kracht van Elia’ (Jesaja 40:3; Maleachi 3:23; Mattheüs 17:10-12; Lucas 1:17).

Het zijn maar gedachten die bij me opkomen, maar wat een diepere betekenis krijgt hiermee de getuigenis van Jeshua over Zichzelf: ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’ (Johannes 14:9). Zeker als we aan al die andere bijzondere ontmoetingen uit het Oude Testament denken, waarin een mens een ontmoeting heeft met de HEER, zoals de ontmoeting van Abraham met de drie mannen bij de eiken van Mamre (Genesis 18; Johannes 8:56), de worsteling van Jacob bij Peniël (Genesis 32:24-30) en de ontmoeting van Gideon bij de eik bij Ofra (Rechters 6:11-24).

Zou het kunnen dat Gods eniggeboren Zoon (Johannes 3:16), beeld van God’ en eerstgeborene van heel de schepping’ (Kolossenzen 1:15), die wij kennen als Messias Jeshua, al aan mensen was verschenen vóór Zijn geboorte? Hij was er al vóór Zijn geboorte: Jij bent Mijn Zoon, Ik heb Je vandaag verwekt’, zei God immers tegen Zijn Zoon (Psalm 2:7).

Misschien geeft Jeshua zelf wel het antwoord als Hij in een verhit debat verwikkeld is met de religieuze leiders (Johannes 8:56) en verklaart: ‘Abraham, uw vader, verheugde zich op Mijn komst, en toen hij die meemaakte was hij blij.’

Bas van Twist, november 2015

Bijzondere ontmoetingen

2 reacties op “Bijzondere ontmoetingen”

  1. Willem Visser zegt:

    Wat Jezus meer maakt dan een ‘gewoon’ mens, zonder hem ‘God’ te noemen of hem daaraan gelijk te stellen, is te lezen in het Evangelie van Johannes. Dit Evangelie leert ons wat het ‘Woord’ van God inhoudt.

    Laten we bij het begin beginnen:
    Joh.1:1
    A “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God,
    B en God was in het Woord, dat in het begin was bij God.”

    Zo heb ik enige jaren geleden deze tekst vertaald voor de Evangeliebijbel. Je ziet dat er in deze vertaling geen sprake is van twee Goden waarvan er één mens wordt, zoals de meeste vertalingen lezen. Ik heb vertaald vanuit het Joods gedachtegoed dat er maar één God is, en deel B van de tekst, heb ik, net als de schrijver van het Johannes Evangelie, ontleend aan Jesaja 55:10 en vers 11.

    Jes.55:10 “Zoals regen of sneeuw neerdaalt uit de hemel en daarheen niet terugkeert zonder eerst de aarde te doordrenken, haar te bevruchten en te laten gedijen, zodat er zaad is om te zaaien en brood om te eten-
    11) zo geldt dit ook voor Mijn Woord, dat voortkomt uit Mijn mond: het keert niet vruchteloos naar Mij terug, niet zonder eerst te doen wat Ik wil en te volbrengen wat Ik gebied”.

    Wat Johannes op een poëtische manier duidelijk wil maken, is dat Gods ‘Geest’ in het Woord aanwezig is. Dat God niet zelf het Woord is blijkt uit het woordje ‘bij’ (pros, in het Grieks), “het woord was bij de god”, leest de letterlijk vertaalde tekst (het Grieks kent geen hoofdletters).

    Als je vers 11 van Jesaja 55 verder doorleest, dan zie je vervolgens dat het Woord wordt ‘losgemaakt’ van de Persoon (God) die de tekst uitspreekt. Het Woord wordt een ‘zelfstandige entiteit’ (een in zichzelf bestaande werkelijkheid), en vanaf dat moment leeft Gods Woord een zelfstandig bestaan. ‘Het heeft leven in zichzelf’ (Jh.5:26).
    De tekst van Jes.55:11 leert namelijk dat God de verwachting heeft dat het Woord:
    1: ‘vruchtbaar’ zal zijn,
    2: dat het de ‘wil’ van Hem zal doen,
    3: dat het zal volbrengen wat God Hem gebied.
    En het zijn deze drie zaken die er op duiden dat het ‘Spreken’ van God, (al vóór de schepping van de aarde) een eigen, zelfstandig leven is gaan leiden.

    Vruchtbaar zijn:
    Jh.15:1 Jezus is de ware wijnstok die vrucht draagt (onderricht, genezingen, goede werken enz.).Het ‘gedijen’ uit Jes.55:10 past hier uitstekend bij.
    Jh.15:8 “Hierin wordt mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt…”

    Gods wil doen:
    Jh.4:34 “Mijn voedsel is: de wil van Hem doen die mij gezonden heeft…”
    Jh.5:30 “…ik richt mij niet op wat ik zelf wil, maar op de wil van Hem, die mij gezonden heeft.”
    Jh.6:38 “…want ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat ik wil, maar om te doen wat Hij wil die mij gezonden heeft.”

    Volbrengen:
    Jh.19:30 “Het is volbracht. Jezus, boog zijn hoofd en gaf de geest.”
    (Merk op dat dit laatste kruiswoord alleen bij Johannes voorkomt.)

    Met recht kan gesteld worden dat Jes.55:11 de sleuteltekst is waarmee je het Evangelie van Johannes kunt ontsluiten. En wat ook belangrijk is; de teksten leren overduidelijk dat Jezus niet God is. Jezus, moest de ‘wil’ volbrengen van God, die hem uitzond, en de ‘eigen’ wil van de mens Jezus was hieraan ondergeschikt: ‘Niet mijn wil’, zegt Jezus, maar ‘Uw wil’ (Jh.4:34/5:30/6:38/6:39/6:40).
    Niet God is mens geworden, leert de Bijbel; “Het Woord is mens geworden…” (Jh.1:14).
    En let ook eens op de context van Jesaja 55, heel dit hoofdstuk is messiaans!

    In de Tenach (het Oude Testament) zijn er overigens meerdere teksten te vinden die over de Logos gaan. Eigenlijk is dat niet zo bijzonder als het lijkt, want de tekst uit het boek Micha die in het Evangelie van Mattheüs (Mt.2:6) wordt aangehaald verwijst daar al naar:
    Mich.5:1 “Uit jou, Betlehem in Efrata, jij dynastie gering in aanzien, uit jou komt iemand voort die namens Mij over Israël zal heersen. Zijn oorsprong ligt in lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer…
    Hij zal aantreden en hen als een herder weiden, bekleed met de macht van de HEER zijn God, met de majesteit van Diens verheven Naam… hij zal heersen tot aan de einden der aarde, en hij brengt vrede.”

    Die ‘oorsprong uit een ver verleden’ (‘van eeuwige dagen af’) betekent niet alleen vanaf de belofte aan David (2Sam.7:16), of de belofte van Jacob aan Juda (Gen.49:10), of de belofte uit Gen.3:15 dat het nageslacht van de vrouw de Boze zal overwinnen. Nee, die oorsprong dateert al van vóór de schepping van de aarde. Het gaat terug tot het moment waarop het Woord ‘tot aanzijn wordt geroepen’, tot het allereerste begin, tot de schepping van het Licht in Gen 1:3.

    Het thema over ‘het Licht’ vinden we daarom ook terug in de proloog van Johannes (Jh.1:5). Evenals ‘het Leven’, dat in het Woord is. Het Woord is ‘de bron’ van alle leven’ lezen we in Jh.1:4. Letterlijk staat er: ‘…het was de Levensbron…’.
    En de tekst uit Jh.1:17 over de ‘waarheid’ die het Woord van God is, komt zowel in de Tenach als in het Evangelie van Johannes voor:
    Jh.17:17 “Uw Woord is de waarheid.”
    Ps.19:10 “De Thora van de HEER is waarachtig…”
    Ps.119:30 “De weg van waarheid heb ik gekozen, Uw Thora hield ik voor ogen.”

    Maar ook de woorden: ‘bekleed met de macht van de HEER’ uit Mich.5:3, wijzen op iets bijzonders. De zalving van Jezus na diens doop was niet slechts een ‘wijdingsritueel’, zoals een priester of een koning bij zijn aanstelling onderging. Bij Jezus ligt dat anders. Vanaf het moment dat de Geest op hem neerdaalt (Jh.1:33), beschikt Jezus over goddelijke krachten, zoals te lezen is in Lucas:
    Lc.8:46 “Iemand heeft me aangeraakt, want ik heb kracht uit me voelen wegstromen.”

    Naast de tekst uit Mich.5:1 zijn er in de Tenach nog een aantal teksten die naar de Logos verwijzen:
    Gen.1:3 God zei: ‘Er moet Licht komen’, en er was Licht. (zie ook Jh.1:5)
    (Niet de zon, maan of sterren; die schiep God later)

    Ps.33:6 Het Woord van God heeft de hemel gemaakt en Gods Adem de sterrenmacht. (laat ONS mensen maken, leert Genesis)

    Spr.8:22 De HEER heeft mij (Wijsheid) vóór al het andere verworven…Hij schiep eerst mij. (Op.3:14…(Jezus) het begin van Gods schepping)

    Spr.8:30 Ik (Wijsheid) was Zijn lieveling, een bron van vreugde…
    (Jes.11:2…de Geest van de HEER zal op hem rusten, een Geest van wijsheid en inzicht…)

    Spr.30:4 Wie bepaalde de grenzen der aarde? … noem mij Zijn Naam en de naam van Zijn Zoon.

    Hierom kon Jezus dus zeggen:
    Jh.8:58 “…van voordat Abraham was, ben ik er.”
    Jh.20:17 “Ik stijg op naar mijn God…(Jh.20:17)
    Jh.17:4 “Ik heb… het werk volbracht dat U mij opgedragen hebt. Verhef mij nu … tot de Grootheid die ik bij U had voordat de wereld bestond.”

    De genoemde teksten uit de Tenach verwijzen tevens naar het aandeel in de schepping dat de Logos heeft, en ook dat gegeven keert terug in de proloog van Johannes:
    Jh.1:3 “Alles is er door ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.”

    Dergelijke teksten vinden we trouwens ook bij Paulus:
    1Kor.8:6 “…Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven.”
    Kol.1:16 “…alles is door hem en voor hem geschapen. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem…
    Hebr.1:2 “…heeft Hij tot ons gesproken door Zijn zoon…door wie Hij de wereld heeft geschapen

    Bedenk bij deze teksten wel dat de Logos een functie heeft als ‘instrument’. God schept doormiddel van de Logos (dia autou, in het Grieks). De Logos uit de Bijbel moet dus niet verward worden met de logos of de ‘scheppergod’ van de gnostici of de filosofen.

    De Logos is overigens niet iets waarmee Jezus is geboren.‘De Geest ‘streek’ op hem neer in de vorm van een duif’ lezen we in Jh.1:32. En dat leert ook Jesaja:
    Jes.42:1 “Op hem heb Ik Mijn Geest gelegd”.
    Dit houdt in dat de Geest die Jezus bij zijn doop ontving, geen deel uitmaakt van hem zelf.
    Van de Logos kun je zeggen dat deze goddelijk is; de Logos is immers het ‘Spreken’ van God. Maar de mens Jezus is geen god, niet goddelijk en ook geen god geworden.
    Je kunt de Logos opvatten als een ‘instrument’, zoals reeds vermeld, een ‘instrument’ dat Jezus ter beschikking krijgt. En met de hulp van dit ‘instrument’ kan Jezus wondertekenen verrichten. Saul en zijn mannen werden immers ook niet ‘goddelijk’ toen ze overmand werden door de Geest van God (1Sam.19:20), evenals de gelovigen uit Hn.2:4 op wie de heilige Geest neerdaalde als vuurtongen.

    Alles wat Jezus in het Johannes Evangelie over zichzelf zegt, dient derhalve herleidt te worden naar de Logos, naar de Geest die op hem neerstreek. En zo dienen we dit Evangelie te lezen. Als Jezus zijn ‘Grootheid’ toont op de bruiloft te Kana (Jh.2:11), dan is het niet zijn ‘eigen ik’ dat hij daar ten toon spreid, maar dan spreekt de evangelieschrijver over de ‘Grootheid’ (doxa, in het Grieks), die op hem rust (Jh.1:32).
    Jh.8:50 “Ik ben niet uit op eigen eer (doxa)…” (om mijzelf te verheffen, om mijzelf groot te maken)
    Jh.8:54 “ Wanneer ik mezelf zou eren (doxa), zou mijn eer niets betekenen…”

    Het is Jezus te doen om de Vader te eren, om de Vader groot te maken. En dat zegt hij klip en klaar als hij een blinde geneest of demonen uitwerpt:
    Jh.9:3 “…Gods werk moet door hem zichtbaar worden.”
    Lc.11:20 “…indien ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf…”

    Niet zijn ‘vinger’, niet zijn kracht, drijft boze geesten uit, maar het is de ‘kracht’ die God hem gegeven heeft, waar hij mee ‘bekleed’ is:
    Jh.3:35 “De Vader heeft de zoon lief, en heeft alle macht aan hem overgedragen”
    Jh.5:19 “De zoon kan niets uit zichzelf doen…”
    Jh.5:27 “En omdat hij de mensenzoon is heeft de Vader hem ook gezag gegeven”
    Jh.8:28 “en dat ik niets uit mijzelf doe, maar over dingen spreek zoals de Vader het mij geleerd heeft

    In dit licht moeten we alle uitspraken die Jezus doet bezien. Als Jezus de woorden uitspreekt: ‘Ik Ben’, dan wijst dat op de Geest die hem bezielt, die in zijn ‘tempelhuis’ woning heeft (Jh.2:21).

    Het Woord is het brood,
    Het Woord is het licht,
    Het Woord is de deur,
    Het Woord is de goede herder,
    Het Woord is de opstanding en het leven,
    Het Woord is de weg en de waarheid en het leven,
    Het Woord is de ware wijnstok.

    Het lijkt moeilijk te doorgronden: wie spreekt er, de Geest of Jezus? En daarom is het makkelijker te begrijpen aan de hand van een uitspraak van Jezus zelf. Hij zegt bij de uitzending van de twaalf:
    Mt.10:20 “Jullie zijn het immers niet zelf die dan spreken, het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt.”

    Logos, Wijsheid, Licht, Leven, Macht, Kracht, Gezag, Waarheid, Grootheid en Thora.
    ‘God heeft mateloos (overvloedig) Zijn Geest aan Jezus geschonken’ (Jh.3:34). Met al het goddelijke dat er is werd Jezus ‘bekleed’, en niet slechts met ‘enkele gaven’ (1Kor.12:4).
    Maar Jezus is nooit God geworden, en hij is niet goddelijk in de zin dat zijn DNA overeenkomt met dat van God. Je mag niet in termen denken die vreemd zijn aan de Tenach. God is geen ‘status’ die je kunt verwerven, daarmee degradeer je God tot een object dat bereikbaar is. En als je dat doet dan sta je heel ver af van de God van de Bijbel, van die Ene, ‘die Zijn majesteit nooit met een ander zal delen’ (Jes.48:11).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>