MIDEAST ISRAEL JEWISH SUN BLESSING

Studie: Daniëls visioen van de zeventig weken

Daniël 9:20-27 20 Terwijl ik nog sprak en bad, en belijdenis deed van mijn zonde en van de zonde van mijn volk Israël, en mijn smeekbede uitstortte voor het aangezicht van de Heere, mijn God, omwille van de heilige berg van mijn God – 21 terwijl ik mijn gebed nog uitsprak, kwam de man Gabriël, die ik in het begin in het visioen gezien had, snel aangevlogen en raakte mij aan, omstreeks de tijd van het avondoffer. 22 Hij begon mij te onderwijzen en sprak met mij. Hij zei: Daniël, nu ben ik eropuit gegaan om u de betekenis te doen begrijpen. 23 Bij het begin van uw smeekbeden is er een woord uitgegaan en nu ben ik zelf gekomen om u dat te vertellen, want u bent zeer gewenst. Begrijp dan dit woord en krijg inzicht in het visioen. 24 Zeventig weken zijn er bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, de zonden te verzegelen, de ongerechtigheid te verzoenen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om visioen en profeet te verzegelen, en om de Heiligheid van heiligheden te zalven. 25 U moet weten en begrijpen: vanaf de tijd dat het woord uitgaat om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven weken en tweeënzestig weken. Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden, maar wel in benauwde tijden. 26 Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is. 27 Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste. 

Inleiding

Velen hebben dit visioen uit Daniël 9:20-27 bestudeerd en geprobeerd om te achterhalen hoe dit visioen van Daniël begrepen moet worden. Ik schaar me ook onder die velen. Hoewel mijn denkbeelden zeker niet allemaal nieuw zijn, heb ik toch een zekere schroom om ze op papier te zetten – of beter het world wide web –, aangezien er in mijn ogen zoveel anderen zijn met meer kennis van zaken dan ik, die dit ook al hebben gedaan. Maar toch denk ik dat het goed is om deze profetie, mede in de context van andere profetieën, eens door een wachtersbril te bezien. Ik erken direct mijn beperkingen en pretendeer het niet beter te weten – alhoewel de stijl dat misschien wel eens anders doet vermoeden –, dus ik sta zeker open voor [opbouwende] kritiek.

Overigens wil ik niet alleen de zeventig weken uit Daniël 9 bespreken, maar ook enkele andere in Daniël genoemde perioden. Vanzelf springen we dan af en toe over naar het laatste Bijbelboek Openbaring, waar dezelfde perioden ook genoemd worden met betrekking tot de twee getuigen en de vrouw die vlucht naar de woestijn. Uiteraard wordt stilgestaan bij de cryptische beschrijvingen die Daniël van de engel krijgt, want op welke benauwde tijden doelt Gabriël? Wie is die Messias die wordt gedood? Welk volk verwoest de stad en het heiligdom? Hoe zit het met die laatste week en de offerdienst die ophoudt? Wat wordt bedoeld met de gruwelijke vleugel en de verwoester die uitgegoten zal worden over de verwoeste? In het begin ontkom ik er niet aan even stil te staan bij de chronologie aan de hand van de Bijbelse en niet-Bijbelse geschiedenis, voor zover dat nodig is om de zeven weken en de tweeënzestig weken vast te stellen. Ik besef dat dit gedeelte voor sommigen wat taaie stof zal zijn, maar het zal hopelijk de moeite waard zijn. Tot slot – en dat is het belangrijkste gedeelte van deze studie – sta ik stil bij de betekenis van het herstel van het land Israël en de wederopstanding van het Joodse volk voor ons – en natuurlijk ook voor de rest van de wereld. Het is namelijk hèt teken waarmee Vader ons aangeeft dat voor Israël de tijd van genade is gekomen [Psalm 102:14] en Hij Zijn volk klaarmaakt voor de taak waartoe Hij hen eertijds geroepen heeft. En precies die zichtbare gebeurtenissen kenmerken de spoedige wederkomst van de Messias.

God openbaart Zijn geheimen

De engel Gabriël, die Daniël het visioen vertelt over de eindtijd [Daniël 12:4], gebiedt Daniël om die woorden op schrift te stellen, maar verder nog geheim te houden tot de eindtijd. Kennelijk was de tijd toen nog niet rijp voor de mensen om kennis te nemen van die woorden en ze te begrijpen. Wij leven onmiskenbaar in de eindtijd, dus, zo mag je dan concluderen, hoeven die woorden niet langer geheim te blijven. Dat lijkt de engel, die Johannes, tijdens zijn gevangenschap op Patmos, de openbaring van Messias Jeshua over de eindtijd bekend maakt, ook te willen zeggen. Johannes moet de openbaring, de profetie, die hij krijgt, vooral niet geheim houden, want, zo zegt de engel, de tijd is nabij [Openbaring 22:10]. We lezen ook dat de kennis om deze profetieën te verstaan toeneemt [Daniël 12:4] en dat we die ook vooral moeten bestuderen [2 Petrus 1:19]. Het betekent dus dat God ons door Zijn Geest de betekenis daarvan gaandeweg zal openbaren.

MIDEAST ISRAEL JEWISH SUN BLESSING

Zeventig weken

Daniël krijgt van de engel Gabriël te horen dat de heilsgeschiedenis van zijn volk zich uitstrekt over zeventig weken. Vanaf het einde van de Babylonische ballingschap tot het moment dat de overtreding is beëindigd, de zonden zijn verzegeld, de ongerechtigheid is verzoend, een eeuwige gerechtigheid tot stand is gebracht, visioen en profeet zijn verzegeld en de Heiligheid van heiligheden is gezalfd, zullen er zeventig weken verstrijken. De zeventig weken worden vervolgens verdeeld in drie perioden. Volgens Daniël 9:25-26 liggen ertussen de opdracht om Jeruzalem te herbouwen en de Messias twee periodes: één van zeven weken en één van tweeënzestig weken. Verder lezen we in Daniël 9:27 over nog één week, die, zo zal blijken, aanzienlijk moeilijker te plaatsen is dan de eerste twee periodes.

Letterlijk staat er zeventig zevens, wat verwijst naar de sinds de schepping aan de geschiedenis inherente sabbatsstructuur [Leviticus 25; Hebreeën 4:1-11]. Het kan dus om perioden gaan van heel verschillende duur. Velen gaan ervan uit dat met een week in deze tekst gedoeld wordt op een periode van zeven jaar, ook wel jaarweek of jaarsabbat genoemd. Het Hebreeuwse woord voor week, sjavoeah, en weken, sjavoeot, is nagenoeg identiek aan het woord voor zeven, sjevah, wat zweren betekent, in de zin van: een eed afleggen [Genesis 26:3]. Het getal 7 staat voor: voltooiing, vervulling en wijst op de volmaaktheid in Gods wegen en handelen.

De zeventig weken staan, zo zouden we voorzichtig mogen concluderen, dus voor een periode van vierhonderdnegentig jaar. Als het juist is dat deze periode betrekking heeft op Israëls heilsgeschiedenis vanaf het einde van de Babylonische ballingschap, dan valt deze periode in een tijdsperiode van meer dan twee millennia en dus is de conclusie gerechtvaardigd, dat het niet gaat om een aaneengesloten periode van vierhonderdnegentig jaar, omdat de tweede helft van de zeventigste week volgens Daniël 9:27 eindigt bij de voleinding en zover is het nog niet.

Andere perioden

In Daniël en Openbaring lezen we trouwens over nog andere perioden dan weken. In Daniël 7:25 en Openbaring 12:14 wordt gesproken over tijd, tijden en een halve tijd, in Daniël 12:7 over vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een helft, in Openbaring 11:2 en 13:5 over tweeënveertig maanden, in Openbaring 11:3 en 12:6 over twaalfhonderdzestig dagen, in Openbaring 11:9-11 over drieënhalve dag en in Daniël 12:11-12 over twaalfhonderdnegentig dagen en dertienhonderdvijfendertig dagen.

Ik meen dat er een verband bestaat tussen deze perioden, waarvan we er een aantal eenvoudig kunnen bedenken. Zo zou je kunnen zeggen dat tijd, tijden en een halve tijd [Daniël 7:25; Openbaring 12:14] en vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een helft [Daniël 12:7] een afgeleide is van tweeënveertig maanden [Openbaring 11:2; 13:5], twaalfhonderdzestig dagen [Openbaring 11:3; 12:6] en drieënhalve dag [Openbaring 11:9-11], zeker als we een tijd en vastgestelde tijd refereren aan een profetisch jaar van driehonderdzestig dagen, zoals veelal wordt gedaan. We krijgen dan voor de perioden genoemd in Daniël 7:25, Openbaring 12:14 en Daniël 12:7: 1 [tijd] + 2 [tijden] + ½ [halve tijd] = 3½ en 3½ [jaar] x 360 dagen = 1260 dagen = 42 maanden = 12 maanden [tijd] + 24 maanden [tijden] + 6 maanden [halve tijd].

Israël, door God gekozen tot redding van de volken

Het getal 7 wijst, zoals gezegd, op de volmaaktheid in Gods wegen en handelen. Het getal 70 staat voor de verantwoordelijkheid en ook voor alle heidenvolken. Als Petrus aan Jeshua vraagt hoeveel keer hij zijn broeder of zuster vergeving moet schenken, dan antwoordt Jeshua: Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven [Mattheüs 18:22]. Jeshua bedoelt daarmee dat God oneindig keer ons vergeeft en dat wij evenzo moeten handelen met onze naaste.

In het visioen van Daniël komt dit terug. Zeventig weken zijn bepaald om Israëls ongerechtigheid te verzoenen en om eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen. In de eerste plaats voor Israël. Maar ook voor de zeventig heidenvolkeren, die in Israël gezegend zullen worden [Genesis 12:3]. In Israël kreeg de eerstgeborene een dubbel deel uit de nalatenschap [Deuteronomium 21:17]. Maar naast dit materiële aspect zat nog een veel belangrijker geestelijk aspect. Via het eerstgeboorterecht verbond God Zich namelijk met de eerstgeborene en werd via hem de zegen doorgegeven aan de rest. Dat beeld vinden we terug in de verhouding tussen Israël en de heidenvolken. God heeft Zich met Zijn volk Israël, Zijn eerstgeboren zoon [Exodus 4:22; Hosea 11:1] verbonden, om voor de wereld tot Lichtdrager en tot zegen te zijn. God verkoos Israël niet ten koste van de andere volken, maar juist tot redding.

Bijbelse chronologie

Om het visioen van Daniël beter te begrijpen, zullen we inzicht moeten proberen te krijgen in de chronologie aan de hand van de Bijbelse en niet-Bijbelse geschiedenis. Ik heb voor deze studie vooral gebruik gemaakt van de nauwkeurige Bijbelse chronologie van Dr. E.W. Bullinger [m.n. Bullinger appendixes 50, 57, 58 en 86 en de noot bij 1 Koningen 6:1 van de Companion Bible]. Ik geloof niet dat we in de Bijbel enkel te maken hebben met een gestileerd schema van de geschiedenis, waarmee we bepaalde historische gebeurtenissen kunnen plaatsen en interpreteren [chronografie], maar dat we aan de hand van Bijbelse gegevens ook bepaalde gebeurtenissen in de tijd kunnen lokaliseren [chronologie]. Ergens moeten we dan wel een betrouwbaar aanknopingspunt vinden en vandaar nauwkeurig alle aanwijzingen volgen die de Bijbel ons geeft. Het is een inspannende bezigheid, maar zeer de moeite waard.

Een betrouwbaar aanknopingspunt vinden we in de regeerperiode van Jojakim, de koning van Juda, en die van Nebukadnezar, de koning van Babel.

Jeremia 25:1-2Het woord dat tot Jeremia is gekomen over heel het volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda – dit was het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babel – dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot heel het volk van Juda en tot al de inwoners van Jeruzalem […]

Om het vierde jaar van Jojakim en het eerste jaar van Nebukadnezar te berekenen, nemen de meeste Bijbelse chronologen 1 Koningen 6:1 als uitgangspunt.

1 Koningen 6:1 – In het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, in het vierde jaar van zijn regering over Israël, in de maand ziw, de tweede maand, begon koning Salomo met de bouw van de Tempel.

Waar de meeste chronologen in hun berekening evenwel aan voorbij gaan is hetgeen de apostel Paulus vertelt, tijdens zijn toespraak in de synagoge van Antiochië, over de periode van de exodus uit Egypte tot aan David. Het blijkt dat deze periode drieënnegentig jaar langer is, dan de vierhonderdtachtig jaar die 1 Koningen 6:1 aangeeft.

Handelingen 13:19-22 – En nadat Hij in het land Kanaän zeven volken uitgeroeid had, verdeelde Hij hun land onder hen door het lot. En daarna gaf Hij hun ongeveer vierhonderdvijftig jaar richters, tot aan de profeet Samuel. En van toen af vroegen zij om een koning, en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, gedurende veertig jaar. En nadat Hij hem had afgezet, verwekte Hij David voor hen tot koning; Hij gaf ook getuigenis van hem met de woorden: Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar Mijn hart, die alles zal doen wat Ik wil. 

Volgens Paulus omvat de gehele periode tussen de uittocht en de Tempelbouw dus vijfhonderddrieënzeventig jaar, te weten de veertig jaar durende tocht door de woestijn [Deuteronomium 2:7], de vierhonderdvijftig jaar durende periode van de Richteren, de veertig jaar durende regeerperiode van Saul [Handelingen 13:21], de veertig jaar durende regeerperiode van David [1 Koningen 2:10-11] en de drie jaar van de regeerperiode van Salomo vóór dat hij met de bouw van de Tempel begon.

Omdat velen met dit verschil geen raad weten, baseren zij zich alleen op 1 Koningen 6:1. Dat heeft echter tot gevolg dat er diverse dateringen zijn ontstaan en in encyclopedieën en Bijbelcommentaren terecht zijn gekomen, die, bij nadere beschouwing, niet houdbaar zijn. Het geloof in de mogelijkheid van een betrouwbare Bijbelse chronologie heeft met name door dit schijnbaar onoplosbaar probleem bij velen schipbreuk geleden. Men concludeerde al snel dat de Schrift nooit een Bijbelse chronologie heeft willen geven.

Maar deze schijnbare tegenstrijdigheid tussen 1 Koningen 6:1 en Handelingen 13:19-22 is te verklaren. Dat moet ook wel, want Gods Woord spreekt zichzelf nooit tegen. Alleen duurt het soms eeuwen voor dat God de mens openbaart wat Hij in Zijn Woord bedoeld heeft te zeggen. Het is mijn vaste overtuiging dat een schijnbare tegenstrijdigheid altijd een gevolg is van een onjuiste vertaling of interpretatie of omdat God ons een bepaald Schriftgedeelte nog niet geopenbaard heeft.

Marcus 4:22Want er is niets verborgen wat niet geopenbaard zal worden; en er is niets gebeurd om verborgen te blijven, maar opdat het in het openbaar zou komen.

Twee beginselen

Het verschil van drieënnegentig jaar tussen de uittocht en de Tempelbouw van 1 Koningen 6:1 en Handelingen 13:19-22 kan gevonden worden in het feit dat de Schrift dateert en rekent volgens twee beginselen. Als de Bijbel spreekt over Israël als het Godsvolk, dan worden alleen Israëls Ammi-jaren, zoals Bullinger ze noemt, geteld. De jaren waarin Israël ongehoorzaam is – de Lo-Ammi-jaren – blijven in die datering buiten beschouwing. Iets dergelijks zien we ook terug in de beschrijving die Mattheüs geeft van het geslachtsregister van Jeshua en daarbij bewust de namen van enkele koningen uit Davids geslachtslijn weglaat die door God veroordeeld waren [zie hierover de leerzame studie Geslachtsregister van Yeshua van Werner Stauder].

Israëls drieënnegentig Lo-Ammi-jaren uit de Richterentijd worden overigens expliciet vermeld in de Bijbel. Het zijn de jaren dat de Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de Heer. Het zijn de acht jaar dat de Israëlieten in de macht zijn van Kusan-Risataïm, de koning van Aram-Naharaïm [Richteren 3:8], de achttien jaar dat de Israëlieten Eglon, de koning van Moab, moeten dienen [Richteren 3:14], de twintig jaar dat de Israëlieten in de macht zijn van Jabin, de koning van Kanaän [Richteren 4:2-3], de zeven jaar dat de Israëlieten in de macht van Midian zijn [Richteren 6:1] en tot slot de veertig jaar dat de Israëlieten in de macht van de Filistijnen zijn [Richteren 13:1]. Bij elkaar opgeteld is dat drieënnegentig jaar.

Nebukadnezars eerste regeringsjaar [496 BCE]

Om het eerste jaar van Nebukadnezars regering te weten, moeten we volgens Bullinger bij deze drieënnegentig Lo-Ammi-jaren uit de Richterentijd, nog optellen de zes Lo-Ammi-jaren tijdens de regeerperiode van koningin Athalia [2 Koningen 11:3], de dertien in de Schrift niet ingevulde jaren tussen Amazia en Uzzia en het niet ingevulde jaar tussen Uzzia en Jotham. Het zijn volgens Bullinger deze honderdtien jaren waarmee de meeste chronologen ten onrechte geen rekening houden bij het bepalen van het eerste regeringsjaar van Nebukadnezar. Anders dan de meeste chronologen, die er vanuit gaan dat het jaar 606 BCE [Before Common Era: vóór de gangbare jaartelling] het eerste regeringsjaar van Nebukadnezar is, meent Bullinger dus dat dit [606 – 110] 496 BCE is [zie over dit onderwerp ook de interessante studie Lineage, Birth, Childhood of Christ]. En vandaar gaan we verder rekenen met behulp van wat de Bijbel ons vertelt over de gebeurtenissen die plaatsvonden in bepaalde regeringsjaren van de verschillende Perzische koningen, met soms een uitstapje naar buiten-Bijbelse bronnen.

Wie is wie aan het Perzische hof?

Als we Daniël, Ezra, Nehemia, Haggaï en Zacharia lezen dan is niet altijd even duidelijk wie nu wie is. Dat komt omdat vaak alleen de koninklijke titel wordt genoemd en dan ook nog de ene keer in de Hebreeuwse aanduiding en de andere keer in de Perzische of Griekse, alsof we steeds met andere koningen te maken hebben. Zo zijn Ahasveros en Arthahsasta de Hebreeuwse namen om de Perzische koning aan te duiden, Xerxes en Artaxerxes zijn daarvoor de Griekse en Darius en Kores de Perzische. Maar het gaat allemaal om de koning van Perzië. Onze Bijbelvertalers maken het nog ingewikkelder doordat de ene vertaling de Griekse titelaanduiding gebruikt en de ander de Hebreeuwse of Perzische. Tel daarbij op dat een opvolgend koning in de geschiedenisboeken vaak een II, III of IV achter zijn naam heeft gekregen en de verwarring is compleet. De Perzische koninklijke titels zijn dus geen eigennamen. Het is vergelijkbaar met de Farao van Egypte, wat ook een titel is en geen eigennaam. Zo betekent Darius: bewaarder van het goede, Ahasveros: Vereerde Koning en Kores: koning der koningen.

Bullinger heeft aan de hand van drie van elkaar onafhankelijke buiten-Bijbelse bronnen nauwkeurig onderzoek gedaan naar de verschillende Perzische koningen uit de Ezra-Nehemiaperiode. We komen er vier tegen, te weten: [1] Ahasveros, de echtgenoot van Esther, die we in de Bijbel ook tegenkomen als Arthahsasta, Darius de Mediër of Artaxerxes, [2] zijn zoon Cyrus, die we ook kennen als Kores en Darius, [3] diens zoon Cambyses en [4] diens neef Darius Hystaspis. Cambyses en Darius Hystaspis komen we beiden ook een enkele keer tegen als Arthahsasta.

De gebeurtenissen in de boeken Ezra en Nehemia behoren chronologisch in elkaar te worden geschoven, willen ze in de juiste volgorde worden verstaan. Als Arthahsasta Nehemia toestaat Jeruzalem te herbouwen, vermeldt de Schrift in Nehemia 2:5-6 nadrukkelijk dat dit was terwijl de koningin naast hem zat of in de NBV met zijn lievelingsvrouw aan zijn zijde. Je zou er zo overheen lezen, maar die bijzin staat er niet zo maar. Dat naast de koning de koningin, zijn lievelingsvrouw, zit, staat er in dit geval bij omdat die koningin niemand minder is dan de Joodse Esther. Koning Arthahsasta is namelijk dezelfde als Ahasveros.

Volgens buiten-Bijbelse bronnen, waaronder de Griekse historicus Herodotus, was Nebukadnezar getrouwd met de zuster van Ahasveros, die Nebukadnezar als regent verving gedurende de zeven jaar dat hij uit de gemeenschap der mensen was gestoten en hij zijn verblijf had bij het gedierte des velds [Daniël 4]. In het laatste jaar dat Ahasveros Nebukadnezar als regent verving, gaf hij toestemming aan Nehemia om Jeruzalem te gaan herbouwen [Nehemia 2:5-6]. Koning Nebukadnezar kreeg in datzelfde jaar zijn verstand terug en bevestigde de opdracht van zijn regent met een lofprijzing aan God:

Daniël 4:34 – Toen prees ik de Allerhoogste en roemde en verheerlijkte ik de eeuwig Levende, omdat Zijn heerschappij een eeuwige heerschappij is en Zijn koningschap van geslacht tot geslacht.  

Het woord om terug te keren en Jeruzalem te herbouwen [454 BCE]

Volgens Daniël 9:25-26 liggen er tussen het woord om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst – het moment dat Jeshua Zijn verkondiging begint; het jaar 29, zoals we hierna zullen zien – zeven weken en tweeënzestig weken ofwel negenenzestig jaarweken ofwel [69 x 7] vierhonderddrieëntachtig jaar. Het woord om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen zou dan zijn uitgegaan in [29 – 483] 454 BCE. Dat is het begin van Israëls bevrijding en herstel.

Bij het lezen van de boeken Ezra en Nehemia, die in de Hebreeuwse Bijbel één boek vormen, moeten we bedenken dat ze geschreven zijn vanuit het Hebreeuwse beginsel – dat ook bij de profeten is te vinden – dat eerst verhaald wordt wat naar Gods maatstaven het belangrijkste is, ook al is dit later gebeurd. Daarom wordt de oproep tot herbouw van de Tempel, waarmee het boek Ezra begint, beschreven vóór de opdracht tot herbouw van de stad Jeruzalem, waarmee het boek Nehemia begint, hoewel de oproep tot herbouw van de Tempel ná de opdracht aan Nehemia tot herbouw van de stad Jeruzalem plaatsvindt. Dat blijkt uit Haggaï 1:1-4, waarin de Israëlieten wordt verweten in mooi afgewerkte huizen te wonen, terwijl de Tempel nog een ruïne is. God laat duidelijk weten dat de herbouw van Zijn huis het belangrijkste is.

Oproep tot herbouw van de Tempel [426 BCE]

We zagen dat koning Arthahsasta, met zijn lievelingsvrouw aan zijn zijde, aan Nehemia opdracht had gegeven tot herbouw van Jeruzalem in 454 BCE [Nehemia 2:5-6], maar pas achtentwintig jaar later, in 426 BCE, volgt de oproep van de Perzische koning Cyrus [Kores] aan de Israëlieten in zijn rijk om terug te keren naar Jeruzalem en de Tempel te herbouwen.

Ezra 1:2 ‘Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor Hem een Tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda.

God had voorzegd dat de heerschappij van Babel over Israël zeventig jaar zou duren [Daniël 9:1-2; Jeremia 25:11], dus eindigt de heerschappij van Babel in [496 – 70] 426 BCE en neemt het opkomend rijk van de Perzen de heerschappij van Babel over. Het is ook het jaar dat de Perzische koning Ahasveros zijn zoon Cyrus aanwijst als zijn opvolger. En het is tevens in dat jaar, dat Cyrus [Kores] de Israëlieten oproept om de Tempel te gaan herbouwen [2 Kronieken 36:22-23; Ezra 1:1-2].

Cyrus [Kores]

We lezen in de Bijbel regelmatig dat God de koningen van vreemde volken gebruikt om Zijn plannen uit te voeren. Hij geeft dat ook zelf aan in Jesaja 60:10. En dikwijls kennen die vorsten de God van Israël niet eens. Maar soms maakt God zich bekend aan zo’n machthebber. Dat is onder meer het geval bij Cyrus. In Jesaja 45:4 zegt God over Cyrus: Omwille van Mijn dienaar Jakob, van Israël, dat Ik heb uitgekozen, heb Ik je bij je naam geroepen en je met een erenaam getooid, ofschoon je Me niet kende. God wil dat Zijn volk de verwoeste Tempel gaat herbouwen. Maar daarvoor moet het volk dan wel terugkeren naar Jeruzalem en niet blijven wonen in het oude Babylonische rijk, waarnaar ze destijds zijn verdreven en dat nu door de Perzen is overgenomen. En daarom schakelt God koning Cyrus in, op dat moment de machtigste man op aarde. En op Gods bevel roept Cyrus de Joden in heel zijn rijk op terug te keren naar Jeruzalem om de Tempel te herbouwen.

Jesaja 45:13Ik ben het die Cyrus laat komen in gerechtigheid, steeds opnieuw baan Ik voor hem de weg. Hij zal Mijn stad herbouwen; Hij geeft Mijn ballingen de vrijheid terug, zonder betaling of steekpenningen te eisen – zegt de HEER van de hemelse machten.

Het is aannemelijk dat Kores, de zoon van Ahasveros [Daniël 9:1], tevens de zoon is van Esther. We kunnen dat herleiden aan de hand van de volgende gegevens. Ahasveros is volgens Daniël 6:1 tweeënzestig jaar, als hij in 426 BCE Babel verovert – volgens Herodotus was het zijn zoon Cyrus [Kores] en generaal Gobryas die voor Ahasveros streden. Aan de heerschappij van Babel was, zoals voorzegd, na zeventig jaar een einde gekomen. In dat zelfde jaar stelt Ahasveros zijn zoon Cyrus [Kores] aan als zijn opvolger [Daniël 9:1-2]. Ahasveros is dus geboren in [426 + 62] 488 BCE. In 454 BCE geeft hij Nehemia opdracht om Jeruzalem te herbouwen. Het is dan zijn twintigste regeringsjaar [Nehemia 2:1]. Zijn regering is derhalve begonnen in [454 + 20] 474 BCE. Hij is dan [488 – 474] veertien jaar oud en al gehuwd met Vasthi, die hij drie jaar later, in 471 BCE, verstoot [Esther 1:3, 19-21]. Ahasveros trouwt Esther in zijn zevende regeringsjaar, dat is [474 – 7] 467 BCE [Esther 2:1-17]. Volgens Herodotus is Kores veertig jaar wanneer hij Babel – voor zijn vader – verovert in 426 BCE. Kores is derhalve geboren in [426 + 40] 466 BCE, dat is één jaar na het huwelijk van zijn vader Ahasveros met Esther. Het is dus alleszins aannemelijk dat Cyrus, die een jaar later is geboren, de zoon is van Ahasveros en Esther.

Drie perioden van zeventig jaar

De Bijbel onderscheidt overigens drie periodes van zeventig jaar, te weten de zeventig jaar durende heerschappij van Babel over Israël [van 496 BCE tot 426 BCE; Jeremia 25:11], de zeventig jaar durende ballingschap van Israël [van 489 BCE tot 419 BCE; 2 Koningen 24:8-17] en de periode van zeventig jaar dat de Tempel een ruïne is [van 478 BCE tot 408 BCE; 2 Koningen 25:8-12; Ezra 4:24, 6:15].

De weken in jaren

Op grond van hetgeen we tot nu toe hebben onderzocht, zouden we voorzichtig mogen concluderen dat de zeven weken uit Daniël 9:25, bestemd voor de opbouw van stad en Tempel, begonnen zijn in 454 BCE en negenenveertig jaar later geëindigd zijn in 405 BCE. De tweeënzestig weken zijn vervolgens aansluitend begonnen in 405 BCE en geëindigd in 29, toen Jeshua Zijn verkondiging begon. In Lucas 3:1-2, 21-23 lezen we namelijk dat Jeshua ongeveer dertig jaar is als Hij Zijn verkondiging begint en dat is in het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, die regeerde van 14 tot 37. Dat betekent dat Jeshua in 29 Zijn verkondiging begint en Hij dus in 1 BCE moet zijn geboren en in 32 is gestorven en opgestaan.

Dat de periode van tweeënzestig weken niet eindigt bij de dood van Messias Jeshua, volgt uit de tekst zelf, waar staat dat de tweeënzestig weken de Messias uitgeroeid zal worden.

Decision-day

De dood èn de opstanding van Jeshua betekenen het begin van de definitieve bevrijding, het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken [Romeinen 1:16]. Zoals de landing van de geallieerden op 6 juni 1944 in Normandië het begin van de definitieve overwinning op Hitler-Duitsland betekende, zo betekende de komst van de Mensenzoon, Jeshua, het begin van de definitieve overwinning op de god van deze wereld [Efezieërs 2:2]. Maar Decision-day was nog geen Victory-day, het was nog niet de ultieme overwinning zelf, die volgde pas op 6 mei 1945, toen Hitler-Duitsland zich gewonnen gaf en de overwinning uitgeroepen werd. Evenzo zal de ultieme bevrijding pas volkomen zijn als Jeshua alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft en elke knie zich voor God zal buigen [Psalm 110:1, Jesaja 45:23 en 1 Korintiërs 15:24-25. Maar tot die tijd zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is. Ook Jeshua zelf voorzegt dit.

Lucas 21:20-24 – Wanneer u zult zien dat Jeruzalem door legers omringd wordt, weet dan dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen en wie in het midden van Jeruzalem zijn, daaruit wegtrekken en wie op de velden zijn, er niet in gaan. Want dit zijn dagen van wraak, opdat al wat geschreven staat, vervuld wordt. Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk. En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en in gevangenschap weggevoerd worden onder alle heidenen. En Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn.

De zeventigste week

We lezen over de zeventigste week dat het volk van een toekomstige vorst verderf zal brengen over de stad en het heiligdom, dat hij een sterk bondgenootschap zal sluiten met velen, dat hij halverwege de week de offerdienst zal stoppen en dat hij boven op het altaar een verwoesting brengende gruwel zal plaatsen. Maar deze verwoestende kracht vindt zijn einde in de overstromende vloed – het beeld van Gods straf over Zijn vijanden [vgl. Nahum 1:8] – en tot het einde toe zal er oorlog zijn.

Dat met het volk dat komen zal en Jeruzalem en de Tempel zal verwoesten, de Romeinen wordt bedoeld, lijkt zeer aannemelijk. Rome, dat binnen een paar eeuwen, door veroveringen en door het sluiten van bondgenootschappen, een wereldrijk is geworden, maakt in 63 BCE van Judea een vazalstaatje onder Romeins gezag. Hoewel de Romeinen het vanaf dan voor het zeggen hebben in het Joodse land, neemt het verzet toe naarmate de Romeinse overheersers en hun marionetten de mogelijkheid om de Thora na te leven inperken. Als gevolg daarvan breekt in het jaar 66 de zogenoemde Joodse Oorlog uit, die in eerste instantie door generaal Vespasianus wordt bestreden. Maar na de dood van de wrede keizer Nero in 68, wordt Vespasianus door de legerleiding uitgeroepen tot de nieuwe keizer en gaat hij terug naar Rome om de troon op te eisen. Hij laat het aan zijn zoon Titus verder over om het Joodse verzet neer te slaan. Titus doet dat uiteindelijk in het jaar 70 op beestachtige wijze. Uiteindelijk wordt heel Jeruzalem door de Romeinen in de as gelegd. Ook de Tempel gaat in vlammen op, waarmee de offerdienst niet langer kan worden uitgeoefend. Meer dan een miljoen Joden wordt door de Romeinse soldaten afgeslacht en miljoenen anderen moeten vluchten voor hun leven. Ook worden veel Joodse krijgsgevangenen door de Romeinen als slaven verkocht. De diaspora is een feit. Maar als de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn, zal het Joodse volk naar zijn land terugkeren. En dat gebeurde na negentien eeuwen, toen het Joodse volk in 1948 weer een thuis kreeg.

In 79 volgt Titus overigens zijn vader op als keizer. Maar hij is nog geen twee jaar in functie als hij in 81 door zijn broers wordt vergiftigd en sterft.

Hoewel de Romeinen voor Daniël een toekomstig volk zijn, de Romeinen een sterk bondgenootschap hebben met velen, zij de stad en de Tempel hebben verwoest, waardoor de offerdienst niet meer kan plaatsvinden, en de door vuur verwoeste Tempel een gruwel van verwoesting is, zitten we met het probleem van de periode waarin dit alles plaatsvindt. Want als de zeventigste week een jaarweek zou zijn, dan had alles in drieënhalf jaar – halverwege de week – tijd hebben moeten plaatsvinden, in plaats van de werkelijke eenenveertig jaar [vanaf 29 gerekend]. De conclusie is daarom dat de zeventigste week moet zien op een [veel] langere periode.

Wie stopte de offerdienst?

Een groot aantal [christelijke] schrijvers meent, net als de vertalers van de Statenvertaling en de Herziene Statenvertaling, dat het de Messias is die halverwege de week slachtoffer en graanoffer doet ophouden. Men baseert dat op het feit dat, toen Jeshua stierf, het voorhangsel van de Tempel van boven naar beneden in tweeën scheurde [Mattheüs 27:51]. Daarmee zou God duidelijk hebben willen maken dat het offer van Jeshua het ultieme offer was dat de offerdienst voorgoed nutteloos heeft gemaakt. Dat eerste zal ik zeker niet ontkennen, maar of Jeshua de offerdienst voorgoed nutteloos heeft gemaakt, geloof ik niet. De profetie uit Jesaja 60 over het herstel van de luister van Sion en de Tempel, is immers nog niet vervuld, maar God belooft niettemin dat als die tijd komt, dat dan alle schapen, geiten en rammen weer welkom zijn als offer op Zijn altaar.

Jesaja 60:7Alle schapen en geiten van Kedar worden voor jou bijeengedreven, Nebajots rammen staan je ter beschikking; ze zijn weer welkom als offer op Mijn altaar. Mijn Tempel zal Ik in alle luister herstellen.

Zelfs de heidenvolken zullen dan aan de Eeuwige offeren.

Maleachi 1:11 – Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een rein graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de Heere van de legermachten.

Uit de context maak ik op dat het eerder Titus, de zoon van de Romeinse keizer Vespasianus, is op wie in Daniël 9:27 wordt gedoeld. De King James Version spreekt ook over een prins: the people of the prince that shall come shall destroy the city and the sanctuary. De hij die halverwege de week slachtoffer en graanoffer doet ophouden lijkt mij daarom de vorst – of de prins – van het volk dat de stad en het heiligdom te gronde richt. En dat is Titus, de zoon van de Romeinse keizer Vespasianus, die in opdracht van zijn vader, in 70, de stad Jeruzalem en de Tempel in vlammen doet opgaan.

De gruwel van de verwoesting

Met de gruwelijke vleugel zal zeker [ook] gedoeld zijn op de in 70 door vuur in de as gelegde Tempel. Vooral omdat Jeshua de discipelen er met klem voor waarschuwt, dat als ze op de heilige plaats de gruwel van de verwoesting zien staan, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, ze zonder dralen voor hun leven moeten vluchten. Dat het in het bijzonder een waarschuwing is voor de mensen uit die tijd, blijkt wel uit de waarschuwing die Mattheüs en Marcus in hun beschrijving erbij vermelden: laat hij die het leest, daarop letten! [Mattheüs 24:15-18; Marcus 13:14].

In hoofdstuk 11 en 12 van het boek Daniël lezen we opnieuw over de verwoestende gruwel.

Daniël 11:31 Dan zullen er uit hem krachtige armen voortkomen. Die zullen het heiligdom en de vesting ontheiligen en het steeds terugkerende offer wegnemen en de verwoestende gruwel opstellen.

Daniël 12:11-12Van de tijd af dat het steeds terugkerende offer weggenomen zal worden en de verwoestende gruwel opgesteld zal zijn, zijn het duizend tweehonderdnegentig dagen. Welzalig is hij die blijft verwachten en duizend driehonderdvijfendertig dagen bereikt.

In Daniël 9:27 lezen we dat over de gruwelijke vleugel een verwoester zal zijn. In de teksten hierboven lezen we dat er een verwoestende gruwel zal worden opgesteld op de plaats waar het offer is weggenomen. Het Hebreeuwse woord dat in deze teksten wordt gebruikt voor gruwel is siqqus – het Griekse equivalent is bdelugma – en betekent zoveel als: vuil ding, walgelijk wegens zijn stank, onheilig, onzuiver bouwsel. Het Hebreeuwse woord dat in deze teksten wordt gebruikt voor verwoesting brengend is samem – het Griekse equivalent is eremosis – en betekent zoveel als: desolaat maken, vernietiging brengen over.

Uit de woorden die gebruikt worden kunnen we opmaken dat het vooral de plaats is, die maakt dat wat men ziet verwoestend en onheilig is. En dat klopt ook, want het is de plaats van Gods heiligdom, de plaats waar Hij Zijn voeten verheerlijken zal [Jesaja 60:13], daar op die plaats wordt die gruwel opgericht.

God Zelf heeft de plaats aangegeven waar de Tempel en waar het altaar moet komen. Het is op de plaats waar zowel Abraham [Genesis 22:9] als David [1 Kronieken 21:15-28] en Salomo hun altaar hadden [2 Kronieken 3:1; Ezra 6:1-15]. In de Joodse traditie wordt er ook vanuit gegaan dat Noach op deze plaats zijn altaar had [Genesis 8:20-9:1], dat het de plaats is waar God Adam heeft geschapen en waar Abel en Kaïn hun altaar hadden [Genesis 4:3-5].

Antiochus IV Epifanes, de gek

Het is heel goed mogelijk dat de verwoestende gruwel uit Daniël 12:11 betrekking heeft op het altaar van Baäl Hasjamaïm, de Syrische equivalent van de Griekse god Zeus, dat op bevel van Antiochus IV Epifanes, in 167 BCE, in de Tempel werd geplaatst en waarop varkens werden geofferd [Makkabeeën 1:54; ik gebruik hier de jaren van onze gewone jaartelling; de jaartallen in I en II Makkabeeën zijn gerekend vanaf de troonsbestijging van de Griekse vorst Seleukus I]. Alle andere godsdiensten probeerde Antiochus uit te roeien. Hij wilde van heel zijn rijk één volk vormen en daarom moest elk volk de eigen gebruiken en godsdiensten opgeven. In de Tempel van Jeruzalem mochten zodoende geen brandoffers, graanoffers en wijnoffers meer worden gebracht en de sabbat en Gods vastgestelde feestdagen moesten worden afgeschaft. De Joden mochten hun zonen niet meer besnijden en moesten zich verlagen tot allerlei onreine en onheilige praktijken. Zo zouden de wetten vergeten worden en alle voorschriften in onbruik raken. Het Grieks-Syrische rijk van Antiochus was erger dan alle andere wereldrijken die Israël tot dan toe als vreemde overheersers had gekend. Zeker, Israël was altijd schatplichtig aan hun overheersers geweest, maar mocht in elk geval nog wel zijn godsdienstige vrijheid behouden. Onder Antiochus werd dat ten strengste verboden en op overtreding daarvan stond de doodstraf.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Joden in opstand kwamen. Dit gebeurde onder leiding van de priester Mattathias en zijn zonen – waarvan Jehuda, bijgenaamd Makkabeüs, de bekendste is geworden. Antiochus, woedend over het Joodse verzet, voerde persoonlijk zijn leger aan en liet meedogenloos tienduizenden Joden ombrengen. Vanwege zijn wreedheid noemden de Joden hem al gauw Antiochus Epimanes [Grieks voor de gek].

2 Makkabeeën 5:12-14Hij beval zijn soldaten om iedereen die hun in handen viel genadeloos neer te maaien en ook de mensen die hun huizen in vluchtten zonder omhaal te doden. Jong en oud werden gedood, vrouwen en kinderen werden vermoord, meisjes en zuigelingen afgeslacht. In drie dagen tijd verloor Jeruzalem tachtigduizend inwoners: veertigduizend sneuvelden bij de gewelddadigheden en nog eens veertigduizend werden als slaaf verkocht.

Maar met Gods hulp heroverden Jehuda en zijn mannen uiteindelijk Jeruzalem op de Grieks-Syrische soldaten en kregen ze de Tempel weer in bezit. Nadat ze de Tempel hadden gereinigd van alle onreine altaren en voorwerpen en een nieuw altaar hadden gemaakt, kon de Tempel worden ingewijd.

1 Makkabeeën 4:52-54 – Op de vijfentwintigste van de negende maand, te weten de maand kislew, van het jaar 148 [164 BCE] stonden ze in alle vroegte op en brachten volgens voorschrift een offer op het nieuwe brandofferaltaar. Op dezelfde dag en op hetzelfde uur dat vreemde volken het altaar hadden ontwijd, werd het nieuwe altaar ingewijd, terwijl er liederen en muziek van citers, harpen en cimbalen ten gehore werden gebracht.

Het is het prachtige verhaal dat we kennen van Chanoeka. Volgens de overlevering was er slechts één kruikje koosjere olie voorradig om de menorah te laten branden tijdens de reiniging van de Tempel. Het kruikje raakte echter niet leeg voordat nieuwe zuivere olie was bereid, maar schonk genoeg olie om de menorah gedurende acht dagen – de tijd die nodig was om nieuwe olie te krijgen – brandend te houden.

In Daniël 12:11-12 lezen we dat er vanaf het moment dat het steeds terugkerende offer zal worden weggenomen en de verwoestende gruwel zal zijn opgesteld, er twaalfhonderdnegentig dagen zullen verstrijken en dat gelukkig is de mens die blijft verwachten en dertienhonderdvijfendertig dagen bereikt. Zou het kunnen zijn dat vanaf het moment dat het dagelijks offer werd afgeschaft, 167 BCE, er precies twaalfhonderdnegentig dagen verstreken voor de Tempel weer in Joodse handen kwam en dat het nog eens [1335 – 1290] vijfenveertig dagen duurde, tot 25 kislew 164 BCE, voordat de Tempel gereinigd en op opnieuw ingewijd werd [1 Makkabeeën 4:52-54]?

Wat hier verder van zij, Antiochus IV Epifanes met zijn hoogmoed en vijandschap tegen Israël en Israëls God, is een duidelijke voorafbeelding van de tegenstander van God, de antichrist, maar hij is niet degene waar Daniël 9 het over heeft en waarop Jeshua wijst, want na ruim drieënhalf jaar werd de Tempel weer ingewijd en volgens Daniël 9:27 zal de gruwel blijven zelfs tot aan de voleinding.

De gruwel die staat tot aan de voleinding

Anders ligt het in het jaar 70, toen van het altaar in de Tempel niets anders overbleef dan een stinkende, verbrande puinhoop. Gods Aanwezigheid [Shechina] was niet langer zichtbaar.

Maar over die verbrande puinhoop wordt ook nog iets opgericht, zagen we hiervoor [Daniël 11:31; Daniël 12:11]. Niet alleen zal het heiligdom worden ontheiligd en zal het steeds terugkerende offer worden weggenomen, er zal ook een verwoesting brengende gruwel worden opgericht. De verwoester van Jeruzalem en van de Tempel, richt, als bekroning op zijn misdaden en in een uiterste poging om definitief af te rekenen met God en Zijn volk, over de plek waar het altaar stond, een afschuwelijk, onheilig ding op. Maar welke verwoester is dat dan? Want na de Romeinen kwamen achtereenvolgens de Byzantijnen, de Perzen, opnieuw de Byzantijnen, de Arabische moslims, de Kruisvaarders, de Mammelukken, de Mongolen, opnieuw de Mammelukken, de Ottomaanse Turken en de Britten het land bezetten. Pas in 1948 kwam een deel van Eretz-Israël weer in Joodse handen.

Zou het kunnen zijn dat met de gruwel die wordt opgericht gedoeld wordt op de islamitische Rotskoepel? Dit islamitische heiligdom is gebouwd over de top van de berg Moria en is het markante symbool van de islam. In 688, ruim vijftig jaar nadat Jeruzalem door de Arabische moslims is veroverd op de Byzantijnen en de stad zoveel mogelijk is ontdaan van haar Joodse karakter, laat kalief Abd al-Malik uit Damascus, in een poging Jeruzalem als islamitische stad op de kaart te zetten, dit achthoekige islamitische bouwsel oprichten. Na vier jaar is het islamitische heiligdom gereed. De voorzegging uit Daniël 9:27, Openbaring 11:2 en 13:5 lijkt een feit te zijn geworden: de heidenen hebben de heilige stad vertrapt en hebben op de plek waar ooit Gods Tempel stond [2 Kronieken 3:1] een heiligdom opgericht tot meerdere eer en glorie van de islamitische god van dood en verderf. De kans dat op de voor de Joden meest heilige plaats ooit weer de Tempel zal herrijzen, lijkt hiermee voorgoed voorbij.

Tweeënveertig maanden, twaalfhonderdzestig dagen

Openbaring 11:1-2Vervolgens kreeg ik een rietstengel als meetstok, met de opdracht: ‘Neem de maten op van Gods Tempel en van het altaar, en tel degenen die God daar aanbidden. De voorhof buiten de Tempel moet je overslaan. Meet die niet op, want hij is bestemd voor de heidenen, die de heilige stad tweeënveertig maanden lang zullen vertrappen.

Vergelijkbare woorden vinden we in Daniël 9:26, waar we lezen dat na de tweeënzestig weken de Messias wordt gedood en de stad en het heiligdom te gronde worden gericht.

Stel, zoals hiervoor aangenomen, dat er een verband bestaat tussen een tijd en tijden en een halve tijd uit Openbaring 12:14, de vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een helft uit Daniël 12:7, de tweeënveertig maanden uit Openbaring 11:2 en 13:5 en de twaalfhonderdzestig dagen uit Openbaring 11:3 en 12:6, dan zou het best wel eens kunnen zijn dat vanaf 688 de tijd is aangebroken van de tweeënveertig maanden [1260 dagen = 1260 jaren] dat de heidenen de heilige stad vertrapt hebben. Want als we voor de dagen jaren rekenen, komen we uit in [688 + 1260] 1948! Het jaar dat de Joodse staat Israël is opgericht, het jaar dat aan de ballingschap van vrouwe Israël een einde is gekomen, het jaar dat haar macht niet langer door vreemde volken kon worden verbrijzeld.

Openbaring 12:6 – En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats had, die door God voor haar gereedgemaakt was, opdat men haar daar zou voeden twaalfhonderdzestig dagen.

Openbaring 12:14 – En aan de vrouw werden twee vleugels van een grote arend gegeven, opdat zij naar de woestijn zou vliegen, naar haar plaats, waar zij gevoed wordt, een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het gezicht van de slang.

Jeremia 31:2-3 – Dit zegt de Heer: In de woestijn kreeg Ik Israël lief, het volk dat aan vernietiging ontkomen was. Ik ging hun voor en gaf hun vrede. Van ver ben Ik naar je toe gekomen, vrouwe Israël. Ik heb je altijd liefgehad, Mijn liefde zal je altijd vergezellen.

Daniël 12:7 – Toen hoorde ik de Man gekleed in linnen, Die Zich boven het water van de rivier bevond, en Hij hief Zijn rechter- en Zijn linkerhand op naar de hemel en zwoer bij Hem Die eeuwig leeft: Na een vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een helft, wanneer Hij er een einde aan gemaakt zal hebben om de macht van het heilige volk stuk te slaan, zal er aan al deze dingen een einde komen.

Psalm 102:14 – Ú zult opstaan, U zult Zich ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de vastgestelde tijd is gekomen.

Ik ben er van overtuigd dat de periode van tweeënveertig maanden dat de heilige stad zal zijn vertrapt [Openbaring 11:1-2] achter ons ligt. Sinds 1948 is Israëls macht immers niet meer gebroken. Uit elke oorlog kwam Israël zelfs sterker tevoorschijn, met name de Zesdaagse Oorlog [1967] toen Oost- en West-Jeruzalem na negentien eeuwen weer werden herenigd en in Joodse handen kwam, net als Judea en Samaria, de Sinaï, de Gazastrook en de Golanhoogte.

De twee getuigen

De periode van twaalfhonderdzestig dagen is trouwens ook de tijd waarin Gods getuigen hebben geprofeteerd [Openbaring 11:3]. Wie zijn die getuigen? Dikwijls wordt gedacht aan Mozes en Elia, maar zou hier niet gedoeld worden op Israël, Gods eerstgeboren zoon, en Jeshua, Gods Eniggeboren Zoon? Van Israël zegt God het zelf: Mijn getuige zijn jullie – spreekt de Heer –, Mijn dienaar, die Ik uitgekozen heb [Jesaja 43:10]; Jullie zijn Mijn getuige – spreekt de Heer –, dat Ik werkelijk God ben [Jesaja 43:12]. En Jeshua zegt in Johannes 18:37 dat Hij getuige is van de waarheid en in Deuteronomium 32:4 lezen we dat God waarheid is. Zouden die twee getuigen niet dezelfde zijn als de twee gezalfden, die bij de Heere van heel de aarde staan [Zacharia 4:11-14]?

Wanneer zij hun getuigenis hebben volbracht, zullen ze worden gedood door hun vijanden. Hun dode lichamen zullen voor iedereen zichtbaar zijn. Ze zullen geen rustplaats krijgen. Het bewijs dat ze dood zijn is onweerlegbaar. Niemand kan het meer ontkennen. Maar dan overvalt hun vijanden ineens een grote vrees, want ze zien met eigen ogen dat God Zijn getuigen weer levend maakt en hen op hun voeten zet [Openbaring 11:7-11].

Het is niet zo heel moeilijk om in deze beschrijving zowel Jeshua als Israël te herkennen.

Tot grote vrees van de soldaten stond Jeshua op uit de dood, volbracht daarmee Zijn taak [voor dat moment] en zond Zijn discipelen uit om het goede nieuws te brengen en Zijn getuigen te zijn [Lucas 24:47-48]. Ondanks de leugen van de hogepriesters en de oudsten wordt het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld verkondigd als getuigenis voor alle volken [Mattheüs 24:14].

Tot grote schrik van de Arabieren stond het Joodse volk op uit het graf van Auschwitz [Ezechiël 37:12], riep op 14 mei 1948 een staat uit in het aloude Vaderland en versloeg, drieënhalf jaar na de Shoah, op 10 maart 1949, de vijand die haar wederopstanding probeerde tegen te houden. Veelzeggend noemen de Arabieren die dag Al-Nakba, ofwel de catastrofe. Maar Gods eeuwenoude plan staat vast. Door Zijn volk weer bij elkaar te brengen vanuit de landen waarover ze verstrooid zijn, laat Hij de volken zien dat Hij heilig is [Ezechiël 20:41, 26:25]. Israël is Zijn getuige dat alleen Hij God is [Jesaja 43:12].

God heeft zowel Israël als Jeshua geroepen nog vóór ze waren geboren, Hij noemt hen beide Mijn dienaar en toont in beide Zijn luister [Jesaja 49:1-6]. Ook hebben Israël en Jeshua beide messiaans geleden [Psalm 44:23; 1 Petrus 2:23] en stonden beide op de derde dag uit de dood op [Hosea 6:2; Mattheüs 20:19]. Vooral de profeten moet je vaak aandachtig lezen om te begrijpen over wie het gaat: Israël of de Messias. En soms loopt het vloeiend in elkaar over, alsof die twee één en dezelfde zijn. Het heeft de vertalers van de Herziene Statenvertaling ongetwijfeld wat hoofdbrekens gekost. Want wanneer moest nu wel en wanneer geen hoofdletter gebruikt worden?

Jesaja 49:1-6 – Eilanden, hoor mij aan, verre volken, luister aandachtig. Al in de schoot van mijn moeder heeft de Heer mij geroepen, nog voor ze mij baarde noemde Hij mijn naam. Mijn tong maakte Hij scherp als een zwaard, Hij hield me verborgen in de schaduw van Zijn hand; Hij maakte me tot een puntige pijl, Hij stak me weg in Zijn pijlkoker. Hij heeft me gezegd: ‘Mijn dienaar ben jij. In jou, Israël, toon Ik Mijn luister.’ Maar ik zei: ‘Tevergeefs heb ik me afgemat, ik heb al mijn krachten verbruikt, het was voor niets, het heeft geen zin gehad. Maar de Heer zal me recht doen, mijn God zal me belonen.’ Toen sprak de Heer, die mij al in de moederschoot gevormd heeft tot Zijn dienaar om Jakob naar Hem terug te brengen, om Israël rond Hem te verzamelen – dat ik aanzien zou genieten bij de Heer en dat mijn God mijn sterkte zou zijn. Hij zei: ‘Dat je Mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt.’

Hosea 11:1-3 – Toen Israël nog een kind was, had Ik het lief; uit Egypte heb Ik Mijn zoon weggeroepen. Hoe harder ze geroepen werden, hoe meer ze hun eigen weg gingen. Ze brachten offers aan de Baäls en brandden wierook voor godenbeelden – terwijl Ik het toch was die Efraïm leerde lopen en hem op Mijn arm nam. Maar zij beseften niet dat ík hen verzorgde.

Jesaja 42:1-3, 18-19 – Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd. Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan. Hij zal niet schreeuwen, Hij zal Zijn stem niet verheffen, Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken, de uitdovende vlaspit zal Hij niet uitblussen; naar waarheid zal Hij het recht doen uitgaan.[…] Doven, hoor! Blinden, kijk en zie! Wie is er zo blind als Mijn dienaar, doof zoals Mijn bode die Ik zend? Wie is blind zoals de volmaakte, blind zoals de knecht van de Heere?

Israël en Jeshua zijn dan wel niet één en dezelfde, maar ze zijn wel één. In Exodus 4:22 moet Mozes tegen de Farao zeggen: Dit zegt de Heer: Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeboren zoon. En in Johannes 3:16 staat dat God de wereld zo lief had, dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Hoe kan een eniggeboren zoon niet ook de eerstgeboren zoon zijn? Dat is vanzelfsprekend altijd het geval. God maakt geen fouten, dus als Hij Jeshua Zijn eniggeboren Zoon noemt en Israël Zijn eerstgeboren zoon, dan is dat een geheimenis dat wij niet kunnen bevatten. [Voor meer over dit onderwerp verwijs ik je graag naar het schitterende boek van Bart Repko Terug van Weggeweest].

Israël en Jeshua zijn nooit los verkrijgbaar, want beide zijn Gods eerstgeboren zoon, om voor de wereld tot Lichtdrager en tot zegen te zijn. Beide heeft God verkozen tot redding.

De tijd van genade is voor Israël gekomen

Voor God is één dag als duizend jaar en duizend jaar als één dag [2 Petrus 3:8; Psalm 90:4].

Hosea 6:2Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet Hij ons opstaan: in Zijn nabijheid zullen wij leven.

Na bijna tweeduizend jaar ballingschap, vervolging, onrecht en vernietiging werd op 14 mei 1948 [5 ijar 5708] de staat Israël uitgeroepen en had het Joodse volk weer een Joods tehuis in het door God aan haar beloofde land. Een wonderbaarlijke gebeurtenis die zijn weerga in de wereldgeschiedenis niet kent.

Jeremia 30:1-7 – De Heer richtte de volgende woorden tot Jeremia: ‘Dit zegt de Heer, de God van Israël: Schrijf alle dingen die Ik je heb gezegd in een boekrol. Want de dag zal komen – zegt de Heer – dat Ik het lot van Mijn volk Israël en van Juda ten goede keer, dat Ik hen terugbreng naar het land dat Ik hun voorouders gegeven heb en dat zij het in bezit zullen nemen – spreekt de Heer.’ Hier volgen de woorden die de Heer tot Israël en Juda sprak. ‘Dit zegt de Heer: Ik hoor geschreeuw van ontzetting, kreten van angst en paniek. Zeg eens: kunnen mannen baren? Waarom zie Ik dan dat elke man zijn handen op zijn buik houdt, zoals een vrouw die baart? Waarom is hun gezicht zo grauw? Wee! Die vreselijke dag kent zijn gelijke niet! Het volk van Jakob komt in grote nood, maar het wordt gered.

Het volk van Israël was tweeduizend jaar lang in grote nood, maar heeft in 1948 een veilige thuishaven gekregen. Ze zijn gered en God heeft hen teruggebracht naar het land dat Hij hun voorouders heeft gegeven. En sinds 6 juni 1967 is Jeruzalem weer helemaal in Joodse handen. Maar dat betekent dus ook dat de tijden van de heidenen vervuld zijn. En we kunnen ons dan gelijk afvragen: hoe laat is het op Gods heilsklok?

We zullen niet [kunnen] weten op welke dag en op welk tijdstip Jeshua terugkomt [Mattheüs 24:32-36; Mattheüs 25:13], dus hoeven we ons niet bezig te houden met rekenmethodes die de dag voorspellen dat Jeshua terugkomt. Maar Jeshua Zelf geeft ons wel aanwijzingen in welk seizoen Hij terugkomt en aan Israëls gevangenschap een einde komt, doordat God daarin een keer brengt.

Mattheüs 24:32-34 – Leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is. Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur. Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal zeker niet voorbijgaan, totdat al deze dingen gebeurd zijn.

In deze korte gelijkenis, wijst Jeshua op het fysieke herstel van Israël. We weten dat het herstel sinds 1948 zichtbaar in gang is gezet. Sinds die datum heeft de wereld de wedergeboorte mogen meemaken van de staat Israël in het aloude Vaderland. Geen enkele vorige generatie heeft dit teken mogen zien en dat geeft gelijk aan hoe laat het is op Gods heilsklok, want Jeshua vertelt erbij dat er van de generatie die dit herstel meemaakt nog in leven zijn als Hij terugkomt!

Aan het einde van de zeventigste week vindt dus de climax plaats van Gods herstelplan met Israël. Het zal voor de volken een dag zijn met verbolgenheid en brandende toorn [Jesaja 13:9].

Micha 7:16 – De volken zullen het zien en beschaamd staan, beroofd van hun kracht, doof en met de hand op de mond.

Probeer het je eens voor te stellen. Aan de hemel is ineens een wonderlijk verschijnsel te zien; geen wetenschapper die er een verklaring voor heeft; er wordt druk gespeculeerd. En dan ineens verschijnt daar, op de wolken des hemels, Messias Jeshua, omringd door ontelbare engelen die zijn glorie bezingen. Wereldleiders en andere hoogwaardigheidsbekleders beleggen snel een conference call om erachter te komen wie deze Hemeling is. En terwijl alle ogen op Hem gericht zijn, stuurt Hij onder luid sjofargeschal, Zijn engelen uit naar alle hoeken van de aarde om Zijn Joodse broers en zussen te halen die nog geen alija hebben gemaakt.

We zijn aan het einde van de tweede helft van de zeventigste week, zoveel is wel duidelijk. Dat de zeventigste week een langere periode beslaat dan zeven jaar en dat het een onderbroken periode is, lijkt aannemelijk. Maar we kunnen er alleen maar naar gissen. Ongetwijfeld zal God Israël – en ook ons als medeburgers – door Zijn Geest en op Zijn tijd openbaren hoe we die zeventigste week moeten verstaan. Eens zullen jullie dat ten volle begrijpen, belooft God immers [Jeremia 30:22-24].

Dat Israël nòg een keer in ballingschap moet of nogmaals in een grote verdrukking terecht zal komen – terwijl de christelijke gemeente in de hemel zit of elders veilig opgeborgen is –, kan ik nergens lezen in mijn Bijbel. Integendeel. De grote verdrukking heeft voor het Joodse volk bijna tweeduizend jaar geduurd en vond zijn ultieme satanische hoogtepunt in de onbeschrijfelijke verschrikkingen van de Holocaust. Maar na 1948 heeft God als het ware een dikke streep getrokken onder het onnoemelijke lijden van Zijn volk en is Hij opgestaan om Zich over Sion te ontfermen; voor Israël is nù de tijd van genade gekomen [Psalm 102:14].

Hij, Hitler, de antichrist, het Beest?

Misschien is de hij uit Daniël 9:27 wel dezelfde als de antichrist uit 1 Johannes 2 of het Beest uit Openbaring 13. Misschien is hij wel Adolf Hitler, die met zijn nationaalsocialistische partij in 1938 definitief alle macht grijpt in Duitsland. In dat jaar annexeert hij eerst Oostenrijk en daarna Tsjechië en het Memelgebied, waarna hij door het Amerikaanse weekblad Time wordt uitgeroepen tot Man of the Year. Onder Hitler wordt Nazi-Duitsland omgevormd tot een dictatoriaal regime, dat in de propaganda van de Nazi’s veelzeggend ook het Duizendjarige Rijk wordt genoemd. Als op 1 september 1939 de Nazi’s Polen binnenvallen, is de Tweede Wereldoorlog een feit. De strijd breidt zich uit als de Nazi’s in 1941 de Sowjet-Unie aanvallen. De oorlog zal tot 1945 duren en ruim tweeënzestig miljoen mensen het leven kosten. Met steun van een overgrote meerderheid van het Duitse volk en de Lutherse kerk kan de grote verleider, uit wiens bek slechts grootspraak en godslasteringen komen, zijn plannen uitvoeren. Halverwege zijn macht, tijdens de op 20 januari 1942 gehouden Wannseeconferentie van Nazi-kopstukken, wordt besloten tot de Endlösung der Judenfrage.

Psalm 83:3-5 – Uw vijanden roeren zich, trots heffen Uw haters het hoofd. Tegen Uw volk smeden zij een complot, ze spannen tegen Uw lieveling samen, en zeggen: ‘Kom, wij verdelgen dit volk, Israëls naam zal nooit meer worden genoemd.’

De systematische genocide op het Joodse volk in Europa is een feit. Ruim zes miljoen Joodse kinderen, vaders en moeders, opa’s en oma’s, ooms en tantes, vrienden en vriendinnen vinden de dood in de onbeschrijfelijke hel van de vernietigingskampen. Never shall I forget that night, the first night in camp, which has turned my life into one long night, seven times cursed and seven times sealed… Never shall I forget those moments which murdered my God and my soul and turned my dreams to dust. Never shall I forget these things, even if I am condemned to live as long as God Himself. Never. [Elie Wiesel, Night]. Als we ons proberen voor te stellen wat die hel moet zijn geweest, wat een diepte krijgen dan tegelijk ook de woorden uit Jesaja 63:8-9: In al hun benauwdheid was Hij benauwd.

Corrie ten Boom, Geertruida Wijsmuller-Meijer, Jan Zwartendijk en tientallen anderen waren helden die de levens van honderden Nederlandse Joden hebben gered. Het Joodse volk noemt hen Rechtvaardigen onder de Volkeren. Maar hoe kon het toch gebeuren dat zij in het christelijke Nederland uitzonderingen waren?

Op 30 april 1945 pleegt Hitler zelfmoord en rest Nazi-Duitsland niets anders dan zich op 6 mei 1945 over te geven. De tirannieke heerschappij van de grootste en wreedste antichrist is voorbij.

Voor Israël komt niet nòg een grote verdrukking

Nee, voor Israël komt er niet nòg een grote verdrukking – net zo min als er voor de christelijke gemeente een hemelse opname wacht. Want de grote verdrukking heeft al plaatsgevonden vóór de terugkeer van het Joodse volk naar het land van haar voorouders! Daarover laat God geen enkele twijfel bestaan. Het volk van Jakob was vanaf het jaar 70 bijna tweeduizend jaar lang in grote nood, maar God trok na de Shoah uit tegen die volken om tegen hen te strijden. Hij bracht hen terug naar hun aloude Vaderland. En vanaf dàt moment wijst Hij Zijn volk de weg.

Jesaja 30:20-21 – Hij die jullie onderricht gaf, zal zich niet langer verbergen. Met eigen ogen zul je je Leermeester zien, met eigen oren zul je een stem achter je horen zeggen: ‘Dit is de weg die je moet volgen. Hier moet je rechts. Ga daar naar links.’

De machtige wonderdaden waarmee God Zijn volk heeft gered tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog [1948-1949], de Zesdaagse Oorlog [1967] en de Jom Kippoeroorlog [1973] tonen aan dat Hij hen leidt en hen ook de overwinning geeft.

Leviticus 26:8Vijf van jullie zullen volstaan om honderd vijanden te verjagen en met honderd van jullie verjaag je er tienduizend; ze zullen door jullie zwaard worden geveld.

Zacharia 10:6 – Ik zal het volk van Juda onoverwinnelijk maken en de nakomelingen van Jozef laten zegevieren. Ik ben vol zorg voor hen en zal hen veilig thuisbrengen. Dan zal het weer zijn als voorheen, alsof Ik hen nooit verstoten had, want Ik ben de Heer, hun God, en Ik zal hun gebeden verhoren.

Het feit dat Israël nog steeds bestaat, ondanks de voortdurende dreiging van de omringende Arabische moslimlanden, die hen in aantal veertig maal overtreffen, is een bewijs van Gods beschermende handen om Zijn oogappel [Deuteronomium 32:10; Zacharia 2:12].

Jesaja 43:4-7 – Jij bent zo kostbaar in Mijn ogen, zo waardevol, en Ik houd zo veel van je dat Ik de mensheid geef in ruil voor jou, ja alle volken om jou te behouden. Wees niet bang, want Ik ben bij je. Ik haal je nakomelingen uit het oosten terug, uit het westen breng ik jullie bijeen. Tegen het noorden zeg Ik: Geef hier! Het zuiden gebied Ik: Laat los! Breng Mijn zonen terug van verre, Mijn dochters van de einden der aarde, allen over wie Mijn naam is uitgeroepen, en die Ik omwille van Mijn majesteit geschapen heb, gemaakt en gevormd.

De terugkeer van ruim een miljoen Joden uit de voormalige Sowjet-Unie – het noorden –, de bijna honderdduizend Joden uit Ethiopië – het zuiden – en de honderdduizenden uit nog honderdzevenentwintig andere landen – de einden der aarde – zijn een vervulling van vele profetieën en een ongelooflijk groot wonder op zich.

De Herder ziet weer om naar Zijn schapen en redt hen uit de plaatsen waarheen ze verdreven waren [Ezechiël 34:11-12]. Het oordeel voor Israël zit erop [Jesaja 30:18]. Na bijna tweeduizend jaar ellende, vervolging, onrecht en vernietiging, brengt God Zijn volk weer samen in het land dat Hij aan hun voorouders beloofd heeft [Genesis 15:18, 17:7-8, 28:13-15; Jeremia 16:14-15]. En dat is niet voor een week, ook niet voor een jaarweek, maar voorgoed, want God zal hen terugplanten in hun grond om niet meer daaruit te worden weggerukt [Jeremia 32:37-41; Amos 9:11-15]. Israël zal weer in vrede in het land wonen. Daarvoor zorgt God Zelf. En Hij zal dat tot stand brengen met hart en ziel. Hij verborg Zijn gezicht voor Zijn volk in laaiende toorn – voor het Joodse volk was dat bijna tweeduizend jaar, voor God was dat slechts een ogenblik –, maar Hij zal Zich weer over hen ontfermen met eeuwigdurende liefde [Jesaja 54:8]. God kan gewoon niet anders, Hij móet wel!

Jeremia 31:20 – Is Efraïm niet Mijn geliefde zoon, is hij niet Mijn oogappel? Telkens als Ik over hem spreek rijst zijn beeld in Mij op, dan raak Ik diep bewogen. Ik móet Mij over hem ontfermen – spreekt de Heer.

Na tweeduizend jaar onnoemelijk Joods lijden, heeft God het lot van Zijn volk ten goede gekeerd en hen teruggebracht in het Beloofde Land. Zijn plan met hen stond reeds vast nog vóór de grondlegging van de wereld. Hij heeft steeds hun geluk voor ogen gehad, niet hun ongeluk. En daarom beloofde Hij hen, toen het volk nog midden in de donkerte leefde, dat Hij hen een hoopvolle toekomst zou geven [Jeremia 29:11].

Op 14 mei 1948 werd vervuld waar de profeet Jesaja over sprak.

Jesaja 66:8Wie heeft ooit zoiets gehoord? Wie heeft ooit zoiets gezien? Kan een land in één dag worden gebaard, kan een volk in één keer worden geboren? Maar Sion baart haar kinderen terwijl de weeën net begonnen zijn.

Een geweldig groot wonder, waar wij getuigen van mogen zijn!

Jeremia 31:7-9Dit zegt de Heer: Juich van vreugde over Jakob, jubel aan het hoofd van alle volken, roep het uit, zing een lofzang: “De Heer heeft Zijn volk gered, en wat er van Israël nog overbleef bevrijd.” Ik laat hen uit het noorden terugkeren en breng hen samen van de einden der aarde. Ook blinden en lammen komen mee, ook zwangere vrouwen, en vrouwen in barensnood. In dichte drommen keren ze terug. Zij komen terug in tranen, ze heffen smeekbeden aan, en Ik zal hen leiden. Ik breng hen naar stromende beken en voer hen over geëffende wegen; daar kunnen zij niet struikelen. Want Ik ben voor Israël een vader, en Efraïm is Mijn eerstgeboren zoon.

God maakt Zijn volk klaar voor de taak waarvoor Hij hen eertijds geroepen had. Ze zullen straks in alle opzichten Zijn Lichtdragers zijn en ons voorgaan in het dienen van God.

Jesaja 2:2-3 – Het zal in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de Heere vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen. Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de Heere, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen, en zullen wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van de Heere uit Jeruzalem. 

Dàt staat ons te wachten als Jeshua terugkomt. Het was opnieuw de engel Gabriël die de boodschap van Gods Heilsplan mocht brengen.

Lucas 1:32-33 – Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen.

We weten niet wanneer onze hemelse Vader Zijn Zoon Jeshua terugstuurt om Zijn bruid te huwen. Maar zij, de bruid, is druk bezig zich klaar te maken voor Hem, zoveel is wel duidelijk als we kijken hoe het land Israël [Jesaja 62:4-5], het Joodse volk [Hooglied; Jesaja 61:10; Jeremia 2:2] en de heilige stad Jeruzalem [Jesaja 49:18; Openbaring 21:2, 9-10] in sneltreinvaart worden hersteld en opgebouwd, ook in geestelijke zin. Nee, niet de kerk is de bruid, dat is nog een hardnekkige misvatting uit de christelijke vervangingsleer. Maar wij, als gelovigen uit de heidenvolken, mogen aanschuiven aan het bruiloftsmaal des Lams [Openbaring 19:9] en het feest van harte meevieren.

Wat een totale omwenteling zal dat met zich meebrengen als Jeshua terugkomt. Voor Israël en de volken. Een revolutionaire verandering; de wereld op zijn kop. Niet langer zal Israël de speelbal in de wereld zijn, niet langer zullen zij bespot, geminacht en vernederd worden door de vergadering der volkeren. Niet langer zal hen onrecht worden aangedaan en zullen ze met twee maten gemeten worden. Nee, vanaf dat moment, zetelt het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in Jeruzalem en zullen alle volken Israël met eer en roem overladen. Vanuit Sion straalt Gods heerlijkheid als Jeshua straks Koning is. De Koning der Joden [Mattheüs 27:11] is niet langer de Man van smarten [Jesaja 53], maar als Hij wederkomt is Hij de leeuw uit de stam Juda [Openbaring 5:5], die met een ijzeren staf de volken zal hoeden [Psalm 2:9; Openbaring 2:27; Openbaring 19:15]. De volken zullen Israël moeten dienen, zo niet, dan zal God hen straffen.

Jesaja 60:3 – Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel. 

Jesaja 60:12 – Elk volk of koninkrijk dat weigert jou te dienen, zal ten onder gaan; al die volken zullen worden verdelgd en vernietigd.

Jesaja 60:14 – Met gebogen hoofd zullen ze komen, de zonen van je onderdrukkers, en iedereen die jou verachtte zal zich aan je voeten neerwerpen. Ze noemen je ‘Stad van de Heer’, ‘Sion van de Heilige van Israël’.

Jesaja 60:15 – Eens was je verlaten en gehaat en werd je door niemand bezocht, maar Ik zal je eeuwige roem verlenen, geslacht op geslacht zul je een bron van vreugde zijn.

Jesaja 60:18 – Van geweld in je land wordt niets meer vernomen, noch van verwoesting en rampspoed binnen je grenzen. Je zult je muren Redding noemen en je poorten Faam.

Jesaja 60:21-22 – Je volk telt enkel nog rechtvaardigen, zij zullen het land voorgoed bezitten. Zij zijn de eerste scheuten van wat Ik heb geplant, Ik heb hen gemaakt om Mijn luister te tonen. De geringste groeit uit tot een duizendtal, de kleinste tot een machtig volk. Ik, de Heer, zal dit spoedig volvoeren, wanneer de tijd is gekomen.

Sefanja 3:19-20 – In die tijd zal Ik afrekenen met je verdrukkers, de kreupelen zal Ik redden, de verstrooiden bijeenbrengen. En hen die in de hele wereld werden veracht zal Ik met eer en roem overladen. In die tijd breng Ik jullie terug. Ik zal jullie verzamelen, je zult met eer en roem overladen worden door alle volken op aarde. Met eigen ogen zullen jullie zien hoe Ik je lot ten goede keer – zegt de Heer.

We leven in een ongekend spannende tijd. En juist omdat we de dag en het uur van Zijn komst niet weten, mogen we Hem elk moment verwachten!

Bas van Twist, mei 2014

4 reacties op “Studie: Daniëls visioen van de zeventig weken”

  1. Derk zegt:

    Ik hoop en bid vurig dat de Here Jezus de ereplaats in de 70e jaarweek terugkrijgt. Door Scofield en anderen is op Zijn ereplaats antichrist geplaatst. Een gruwel.

  2. […] 1] Voor deze studie heb ik gebruik gemaakt van het onderzoek van Dr. E.W. Bullinger [1837-1913] naar de verschillende Perzische koningen uit de Ezra-Nehemiaperiode, zoals dat te vinden is in de noot bij 1 Koningen 6:1 van de Companion Bible en de Appendixes 50, 57, 58 en 86 [zie ook de studie Daniels visioen van de zeventig weken]. […]

  3. Gertrude zegt:

    knappe uiteenzetting…….Toch wil ik je een raad geven. Op You tube staat een studie van Michael Rood: The Jonah code. Zijn verklaring van dit stuk van Daniel is erg plausibel m.i.

  4. Thomas zegt:

    Lieve Bas,

    Prachtig, zoals je het voor ons verduidelijkt! Het laat ons zeker weten dat we Vader moeten herinneren aan zijn beloftes voor onze grote Joodse broer, thuis, op de muren van Jeruzalem…..het maakt niet uit op welke plaats, alles tot eer van Zijn grote naam!
    Heerlijk dat Vader dit aan jou openbaar maakt, tot zegen van ons.

    Tot spoedig ziens!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>